← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:7018

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751671-21 RK nummer: 21/4345 Datum uitspraak: 27 september 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 26 juli 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 4 mei 2020 door de Circuit court in Katowice, V Penal Division (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1995, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres], hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 13 september 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank ex artikel 22 OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, reeds is verstreken. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor gevangenhouding. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een judgment van de District Court in Bytom van 14 januari 2019 (referentie: VIII K 915/18). Dit vonnis is in hoger beroep in stand gebleven in het arrest van de Circuit Court in Katowice van 17 mei 2019. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 10 maanden – waarvan nog 1 jaar, 7 maanden en 5 dagen uit te zitten –, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel

  1. e)van het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Uit het EAB en de aanvullende informatie van 6 juni 2022 leidt de rechtbank af dat in hoger beroep definitief uitspraak is gedaan over de schuld en de straf, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld. Alleen de procedure in hoger beroep bij de Circuit Court in Katowice dient te worden getoetst aan het bepaalde in artikel 12 OLW. De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit de aanvullende informatie van 20 juni 2022 blijkt dat de opgeëiste persoon op 14 september 2018 is verhoord. Tijdens dit verhoor heeft hij een zogenaamde ‘adresinstructie’ ontvangen en getekend – inhoudende dat hij is gewezen op zijn verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de consequenties als hij dat niet doet, namelijk dat de correspondentie dan wordt aangemerkt als ‘duly served’ en er een beslissing kan volgen in zijn afwezigheid. Uit de aanvullende informatie van 6 juni 2022 blijkt bovendien dat de opgeëiste persoon na schuldbekentenis een overeenkomst met de officier van justitie heeft gesloten en heeft verzocht om een proces buiten zijn aanwezigheid. Hoewel hij niet aanwezig was bij de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg, is de opgeëiste persoon hiervoor wel in persoon gedagvaard en heeft hij voor ontvangst van de dagvaarding getekend. Hieruit blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het feit dat er een strafprocedure tegen hem liep. Ook blijkt uit die aanvullende informatie van 6 juni 2022 dat de gemachtigde raadsman van de opgeëiste persoon tegen het vonnis in eerste aanleg namens de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld tegen dat vonnis. De oproep voor het hoger beroep is naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres verstuurd. Het vonnis is bij arrest van 17 mei 2019 door de Circuit Court in Katowice in stand gelaten. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank afziet van haar bevoegdheid de overlevering te weigeren. 4Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten: Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. 5Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 6Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW. 7Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Circuit court in Katowice, V Penal Division (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
  2. e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. J.G. Vegter, voorzitter, mrs. J.A.A.G. de Vries en C.M. Delstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Rus, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 27 september 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 augustus 2017, C-270/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:628 (Tupikas)

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.