RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751078-20 RK nummer: 21/1909 Datum uitspraak: 26 oktober 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 2 april 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 18 december 2019 door the District Court in Koszalin II Criminal Department (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren te [gebooteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1990, verblijfadres: [adres], [plaats] hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang Zitting 14 september 2022 De vordering is behandeld op de openbare zitting van 14 september 2022. De opgeëiste persoon was niet ter zitting aanwezig. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, K. van der Schaft en de advocaat van de opgeëiste persoon, mr L.J.H. Kortz, advocaat te Utrecht. De rechtbank heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst, omdat de opgeëiste persoon niet op de juiste wijze voor de zitting was opgeroepen. Zitting 12 oktober 2022 De rechtbank heeft het onderzoek op 12 oktober 2022 hervat. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr L.J.H. Kortz, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank ex artikel 22 OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, reeds is verstreken. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor gevangenhouding. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een judgment of the Local Court in Koszalin (Polen) van 25 oktober 2016 (referentienummer: X K 499/16). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 11 maanden en 29 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW, omdat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest ter zitting en niet is vertegenwoordigd door een advocaat. Ook blijkt uit de stukken dat er hoger beroep is ingesteld dat niet-ontvankelijk is verklaard, maar het is onduidelijk wie dat hoger beroep heeft ingesteld. De opgeëiste persoon was daarbij niet aanwezig. Daarnaast is het onduidelijk wanneer de opgeëiste persoon een adres zou hebben opgegeven. De Poolse autoriteiten hebben met betrekking tot het opgegeven adres nagelaten te verifiëren of het opgegeven adres nog klopt. Dit brengt met mee dat het enkele sturen van stukken naar dit adres niet voldoende is en dat de opgeëiste persoon niet op de juiste wijze is opgeroepen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering te weigeren. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er aanleiding is om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW. Er is geen sprake van een schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon, omdat uit het EAB en uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de feiten waarvan hij werd verdacht alsmede van de omstandigheid dat er een strafrechtelijke procedure tegen hem liep. Verder heeft de opgeëiste persoon persoonlijk de instructie over zijn rechten en verplichtingen gekregen, inclusief de inhoud van artikel 139 van de Code of Criminal Procedure. De oproep voor de zitting voorafgaand aan het vonnis is verstuurd naar het adres dat de opgeëiste persoon zelf tijdens zijn verhoor door de officier van justitie heeft opgegeven. Ook heeft de opgeëiste persoon zelf om een kopie van het vonnis verzocht en hoger beroep ingesteld. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de overlevering toe te staan. Oordeel van de rechtbank De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. In de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten van 17 augustus 2022 staat dat de opgeëiste persoon tijdens zijn verhoor op 29 februari 2016 door de officier van justitie een adres heeft opgegeven en dat de opgeëiste persoon persoonlijk de instructie over zijn rechten en verplichtingen heeft gekregen, inclusief de inhoud van artikel 139 van de Code of Criminal Procedure. De oproep voor de zitting voorafgaand aan het vonnis van 25 oktober 2016 is verstuurd naar het adres dat de opgeëiste persoon zelf tijdens zijn verhoor door de officier van justitie heeft opgegeven. De rechtbank merkt op dat het niet aan de Poolse autoriteiten is om de juistheid van het opgegeven adres te verifiëren. Het is de verantwoordelijkheid van de opgeëiste persoon om adreswijzigingen door te geven. Ook vermeldt het EAB in onderdeel
- d)dat de opgeëiste persoon op 21 november 2016 in persoon op de hoogte is gebracht van de veroordeling en is gewezen op zijn recht op hoger beroep. De opgeëiste persoon heeft hoger beroep aangetekend, maar is hierin niet-ontvankelijk verklaard bij beslissing van 30 januari 2017. In de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten van 17 augustus 2022 staat ook vermeld dat de opgeëiste persoon zelf op 4 november 2016 om een onderbouwing van de uitspraak in eerste aanleg heeft gevraagd. Deze onderbouwing, samen met een afschrift van het vonnis, is op 16 november 2016 naar de opgeëiste persoon gestuurd en hij heeft deze documenten op 21 november 2016 in persoon opgehaald. Gelet op deze informatie kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de strafrechtelijke verdenking en ook van de omstandigheid dat er een strafrechtelijke procedure tegen hem liep. Gelet op deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat overlevering een schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt, omdat hij, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst genomen kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot de ontvangst van officiële correspondentie over de strafrechtelijke procedure. De rechtbank ziet af van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren op grond van artikel 12 OLW. De rechtbank verwerpt het verweer. 4Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: diefstal, meermalen gepleegd poging tot diefstal 5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan ingevolge artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd indien deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet ingevolge artikel 6a, negende lid, van de OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten: ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon gelijk gesteld kan worden met een Nederlander zoals bedoeld in artikel 6a, eerste en negende lid, OLW. Gelet hierop heeft de raadsman de rechtbank verzocht de overlevering te weigeren, met bevel dat de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf door Nederland wordt overgenomen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijk gesteld met een Nederlander nu de verdediging geen gegevens heeft overgelegd over de feitelijke verblijfplaats van de opgeëiste persoon in de afgelopen vijf jaar, er zijn alleen gegevens van inschrijving over de jaren 2019 tot en met 2022. Aan de eerste voorwaarde ingevolge artikel 6a, negende lid, van de OLW wordt dan ook niet voldaan nu niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon vijf jaren onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Oordeel van de rechtbank Eerste voorwaarde Wat betreft de eerstgenoemde voorwaarde geldt dat volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank een duurzaam verblijfsrecht als Unieburger niet hoeft te worden aangetoond door middel van overlegging van een verblijfsdocument; dit kan ook met het aantonen dat aan de materiële voorwaarden voor een dergelijk verblijfsrecht wordt voldaan. In dit geval zijn er echter geen stukken overgelegd waaruit een verblijf in Nederland blijkt. Er is niet aangetoond dat de opgeëiste persoon vijf jaren onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. De opgeëiste persoon voldoet daarom niet aan de voorwaarden van artikel 6a OLW. Het gelijkstellingsverweer wordt dan ook verworpen. 6Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 7Toepasselijke wetsbepalingen Artikel 310 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Koszalin II Criminal Department (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. M.M.L.A.T. Doll, voorzitter, mrs. G.M. Beunk en J.H. Beestman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V.D. Reinders, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 oktober 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.