RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/089992-22 RK nummer: 22/3363 Datum uitspraak: 26 oktober 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 30 juni 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 11 december 2020 door de Public Prosecutor’s Office of the Judges of Appeal of East Crete (Griekenland) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982, verblijfadres: [adres], hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang Zitting 13 september 2022 De vordering is behandeld op de openbare zitting van 13 september
- Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Ebbink, advocaat te Haarlem. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. Zitting 12 oktober 2022 De rechtbank heeft het onderzoek op 12 oktober 2022 – met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling – hervat in de stand waarin het onderzoek zich bevond op het moment van de schorsing op 13 september
- Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Ebbink, advocaat te Haarlem. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3De tussenuitspraak van 27 september 2022 De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 27 september 2022 de ontvankelijkheid van de officier van justitie, de grondslag en inhoud van het EAB en de strafbaarheid van het feit beoordeeld. Verder is in punt 5 van die tussenuitspraak vastgesteld dat de afgegeven garantie voldoet aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW. De in punt 3 tot en met 6 van die tussenuitspraak gegeven overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Onder punt 7 van de tussenuitspraak van 27 september 2022 heeft de rechtbank vastgesteld dat een terugkeergarantie ten aanzien van de opgeëiste persoon ontbreekt. Onder punt 8 van deze tussenuitspraak heeft de rechtbank tevens geoordeeld dat de verstrekte (algemene) detentiegarantie niet het geconstateerde algemene gevaar voor de opgeëiste persoon uitsluit en onvoldoende onvoorwaardelijk is. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd, zodat een terugkeergarantie kan worden opgevraagd en om vragen te laten stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit met betrekking tot de detentieomstandigheden. 4De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van het feit waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan. Op 12 oktober 2022 heeft de rechtbank een bericht ontvangen van the public prosecutor’s office of appeal of East Crete (Griekenland), waarin het volgende wordt vermeld: We would like to inform you that, we can not guarantee unconditionally that, in case the wanted person after the surrender is sentenced to an unconditional and irrevocable prison sentence in Greece, he will be allowed to carry out this punishment in the Netherlands. Standpunt van de raadsman De raadsman heeft aangevoerd dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat er geen onvoorwaardelijke terugkeergarantie is verstrekt. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft daartegen aangevoerd dat de Griekse autoriteiten geen onvoorwaardelijke terugkeergarantie hebben gegeven, omdat daarvoor eerst nog een procedure moet worden doorlopen en een eventuele terugkeer naar Nederland voor het uitzitten van de straf afhankelijk is van de instemming van de opgeëiste persoon. De officier van justitie heeft mondeling van een deskundige van Eurojust vernomen dat deze procedure een formaliteit betreft en in de praktijk de terugkeer heel waarschijnlijk zal worden toegestaan. De officier van justitie heeft daarom verzocht om aanhouding van de zaak tot 27 oktober 2022, zijnde de datum waarop de beslistermijn verstrijkt, om deze informatie bevestigd te krijgen. Oordeel van de rechtbank Uit de verstrekte informatie blijkt dat de Griekse autoriteiten niet kunnen garanderen dat de opgeëiste persoon, indien hij tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, deze straf in Nederland zal mogen ondergaan. De rechtbank stelt vast dat een onvoorwaardelijke terugkeergarantie, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW, nog steeds ontbreekt. Hoewel de officier van justitie heeft gesteld dat de garantie (zeer waarschijnlijk) enkel afhankelijk is gesteld van de instemming van de opgeëiste persoon - wat niet automatisch zou leiden tot een ongenoegzame garantie in de zin van artikel 6 OLW - is de rechtbank van oordeel dat hierover te weinig duidelijkheid bestaat, gelet op de bewoording van de verstrekte aanvullende informatie van 12 oktober 2022, waarin geen garantie is verstrekt. De rechtbank beschikt aldus niet over een terugkeergarantie zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. Dit betekent dat de weigeringsgrond van artikel 6 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet - mede gelet op het standpunt van de verdediging - geen aanleiding om af te zien van weigering van de overlevering op grond van dit artikel. Nu de Griekse autoriteiten duidelijk hebben aangegeven dat zij niet kunnen garanderen dat de opgeëiste persoon de opgelegde straf in Nederland uit mag zitten, ligt aanhouding, zoals verzocht door de officier van justitie, niet in de rede. Immers, ook indien de door officier van justitie genoemde mondelinge informatie zou worden bevestigd, behelst dat niet een onvoorwaardelijke terugkeergarantie. 5Slotsom Nu is vastgesteld dat de weigeringsgrond van artikel 6 OLW van toepassing is en de rechtbank geen aanleiding ziet om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond, moet de overlevering worden geweigerd. De rechtbank komt gelet op de weigering op grond van artikel 6 OLW niet toe aan de beoordeling van de Griekse detentieomstandigheden. 6Toepasselijke wetsbepalingen Artikel 6 OLW. 7Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Public Prosecutor’s Office of the Judges of Appeal of East Crete (Griekenland) ten behoeve van het in Griekenland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Aldus gedaan door mr. M.M.L.A.T. Doll, voorzitter, mrs. G.M. Beunk en J.H. Beestman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V.D. Reinders, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 oktober
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.