RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/752095-21 RK nummer: 21/5413 Datum uitspraak: 29 november 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 6 oktober 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 24 februari 2005 door de Procureur-Generaal van het openbaar ministerie bij het gerechtshof van Versailles (Frankrijk) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1950, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres], hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 15 november 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. G.G.J.A. Knoops, advocaat in Amsterdam. De rechtbank heeft vastgesteld dat in deze zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank ex artikel 22, eerste en derde lid, OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, alis verstreken. Dit betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor overleveringsdetentie. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Ontvankelijkheid van de officier van justitie De raadsman heeft ter zitting op drie punten de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie bepleit. 3.1. Feit gepleegd vóór 1993 Standpunt van de raadsman De raadsman heeft om te beginnen – kort gezegd- aangevoerd dat het Kaderbesluit 2002/584/JBZ (hierna: KEAB) niet van toepassing is op strafbare feiten die in Frankrijk zijn gepleegd vóór 1993. De Franse regering heeft bij het aannemen van het KEAB in 2004 een verklaring afgelegd waarin staat dat Frankrijk, als uitvoerende lidstaat, uitleveringsverzoeken betreffende feiten die zijn gepleegd vóór 1993 – de datum van inwerkingtreding van het op 7 februari 1992 in Maastricht ondertekende Verdrag betreffende de Europese Unie – zal blijven behandelen met toepassing van de vóór 1 januari 2004 geldende regels. Nu het strafbare feit dateert van 1986, zijn die oude regels van toepassing op deze zaak. Dit betekent dat het Franse ‘mandat d’arrêt’ niet kan worden aangemerkt als een EAB in de zin van artikel 1, eerste lid, KEAB en dat de vordering van de officier van justitie niet op een geldig EAB berust. Het openbaar ministerie dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft aangevoerd dat uit de tekst van de Franse verklaring blijkt dat het gaat om de situatie waarin Frankrijk de uitvoerende lidstaat is, en niet de uitvaardigende lidstaat zoals in de onderhavige casus. Verder wordt in het KEAB en de OLW geen tijdspanne genoemd zodat geen onderscheid wordt gemaakt tussen feiten die zijn gepleegd vóór of na een bepaalde datum. Frankrijk kan en mag om die reden een EAB uitvaardigen voor feiten gepleegd vóór 1993. Er is dan ook geen reden om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het verweer van de raadsman niet slaagt. Uit de tekst van de verklaring van de Franse autoriteiten volgt dat deze verklaring – in overeenstemming met de bewoordingen van artikel 32 KEAB –een voorbehoud is in de situatie waarin Frankrijk de uitvoerende lidstaat is. Er bestaat om die reden geen grond om Franse executie-EAB’s die betrekking hebben op feiten gepleegd vóór 1993, niet te behandelen en aan de rechtbank voor te leggen. De officier van justitie is dan ook ontvankelijk is in de vordering ex artikel 23 OLW. 3.2. EAB niet uitgevaardigd door rechterlijke autoriteit in de zin van art. 6 KEAB De raadsman heeft vervolgens aangevoerd dat het EAB niet voldoet aan de vereisten die worden gesteld in het Kaderbesluit, omdat het EAB op 24 februari 2005 is uitgevaardigd door een Franse procureur-generaal, die ten tijde van het uitvaardigen van het EAB niet als rechterlijke autoriteit in de zin van artikel 6, eerste lid, KEAB kon worden aangemerkt. Uit het arrest OG en PI blijkt dat de bevoegdheid van de uitvaardigende autoriteit niet ex nunc wordt getoetst, maar met terugwerkende kracht moet worden gekeken of de uitvaardigende autoriteit destijds bevoegd was om het EAB uit te vaardigen. Nu ten tijde van het uitvaardigen van het EAB in 2005, de Franse Procureur-Generaal niet als bevoegde justitiële autoriteit in de zin van artikel 6, eerste lid, KEAB en artikel 1, aanhef en onder i, OLW en artikel 5 OLW kan worden aangemerkt, dient de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard. De officier van justitie heeft erop gewezen dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest YC en JR heeft geoordeeld dat de Franse officier van justitie kan worden aangemerkt als rechterlijke autoriteit in de zin van artikel 6, eerste lid, KEAB en dat de bevoegdheid van de uitvaardigende autoriteit ex nunc dient te worden getoetst. Bovendien volgt uit recente e-mailberichten dat de Franse autoriteiten dat het EAB wordt gehandhaafd. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer van de raadsman niet slaagt. Het EAB is uitgevaardigd door de Procureur-Generaal van het openbaar ministerie bij het gerechtshof van Versailles. In het arrest YC en JR heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat het Franse openbaar ministerie kan worden aangemerkt als uitvaardigende rechterlijke autoriteit in de zin van het Kaderbesluit EAB. Het Franse Openbaar Ministerie voldoet aan de vereisten om als een “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 1, van Kaderbesluit 2002/584 te worden aangemerkt en is bevoegd tot het uitvaardigen van een executie-EAB. De Procureur-Generaal van het openbaar ministerie bij het gerechtshof van Versailles heeft blijkens een beslissing van 4 november 2022 het EAB gehandhaafd. Het verweer wordt verworpen. 3.3. Effectieve rechterlijke bescherming De raadsman heeft ten slotte aangegeven dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat uit de stukken niet blijkt dat het EAB op enig moment is getoetst door een Franse rechter. Dit vereiste volgt uit artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en blijkt uit arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Dit betekent dat geen sprake is geweest van effectieve rechterlijke bescherming. Het EAB voldoet daarmee niet aan de vereisten van artikel 1, eerste lid, KEAB. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. De officier van justitie is van mening dat sprake is van effectieve rechterlijke bescherming en dat het verweer van de raadsman dient te worden verworpen. De uitvaardiging van het EAB door de Procureur-Generaal van het openbaar ministerie bij het gerechtshof van Versailles is niet in strijd met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de daarin gestelde vereisten. Aan het EAB ligt een arrest van het gerechtshof van Versailles (8e kamer) ten grondslag, zodat sprake is geweest van een beoordeling door een rechter. Er is mitsdien voldaan aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming. De rechtbank ziet dan ook geen reden om hierover een prejudiciële vraag te stellen. De rechtbank concludeert dan ook dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vordering en komt om die reden toe aan een inhoudelijke beoordeling. 4Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een op tegenspraak gewezen arrest van het gerechtshof van Versailles (8e kamer) van 5 februari 2004 (cassatieberoep afgewezen bij arrest van de (Franse) Hoge Raad van 17 november 2004). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van negen jaar. Van deze straf resteren volgens het EAB nog vier jaar, elf maanden en 27 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest. Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.