RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/243897-22 RK nummer: 22/4304 Datum uitspraak: 15 november 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 27 september 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 4 oktober 2021 door the Circuit Law Court in Świdnica (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëist persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1986, verblijfadres: [adres] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 15 november 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Kocabas, advocaat in Zoetermeer en door een tolk in de Poolse taal. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een combined judement (cumulative sentence) van de District Law Court of Świdnica (Polen) van 24 januari 2020 (referentienummer: VI K 565/19). Aan dit verzamelvonnis liggende de volgende twee vonnissen ten grondslag: judgment IV Ka 647/17 van de Circuit Law Court Świdnica (Polen) van 29 november 2017; judgment VI K 16/19 van de District Law Court of Świdnica (Polen) van 26 september 2019. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog vier jaar, negen maanden en 17 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis. De twee onderliggende uitspraken (IV Ka 647/17 en VI K 16/19) betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een verzamelvonnis, waarin twee eerdere veroordelingen zijn samengevoegd tot één straf. Dit brengt mee dat zowel de aan het verzamelvonnis ten grondslag liggende uitspraken, waarin onherroepelijk uitspraak is gedaan over de schuld van de opgeëiste persoon en hem op grond daarvan vrijheidsstraffen zijn opgelegd, als het verzamelvonnis waarbij de duur van de straffen is gewijzigd en waarbij de bevoegde autoriteit over een beoordelingsmarge heeft beschikt, dienen te worden getoetst aan artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ en aan artikel 12 van de OLW. Zowel de officier van justitie als de raadsman hebben de rechtbank verzocht de overlevering te weigeren, omdat het verzamelvonnis van 24 januari 2020 (referentienummer: VI K 565/19) niet aan de eisen van artikel 12 OLW voldoet en ook geen reden is om af te zien van weigering op grond van artikel 12 OLW. Oordeel van de rechtbank Uit de stukken blijkt dat de opgeëiste persoon niet is verschenen op het proces dat heeft geleid tot het verzamelvonnis van 24 januari 2020 (referentienummer: VI K 565/19), terwijl zich ook niet één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit het EAB en de aanvullende informatie van 11 oktober 2022 en 8 november 2022 blijkt niet dat de opgeëiste persoon op enigerlei wijze op de hoogte was van de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid. Allereerst geldt dat het verzamelvonnis niet op zijn verzoek, maar ex officio, dus ambtshalve is gewezen. De Poolse autoriteiten hebben in de aanvullende informatie aangegeven dat de oproep is verzonden naar het adres dat de opgeëiste persoon tijdens het vooronderzoek op 14 maart 2011 heeft opgegeven, maar niet blijkt dat deze oproeping hem ook daadwerkelijk heeft bereikt. Ook blijkt niet uit de stukken dat de opgeëiste persoon in de procedure die heeft geleid tot het verzamelvonnis daaraan voorafgaand een instructie heeft ontvangen om adreswijzigingen door te geven. Op basis van de voorhanden zijnde informatie kan de rechtbank dus niet vaststellen dat de opgeëiste persoon rekening had kunnen en moeten houden met een mogelijke procedure tot het samenvoegen van verschillende veroordelingen. In dit licht kan dan ook niet worden geoordeeld dat het aan onzorgvuldigheid van de opgeëiste persoon te wijten is dat de oproepen voor de procedure tot het samenvoegen van eerdere veroordelingen hem niet hebben bereikt. Overlevering leidt daarom tot een schending van zijn verdedigingsrechten. Nu de overlevering op grond van artikel 12 OLW wordt geweigerd voor het aan het EAB ten grondslag liggende verzamelvonnis, behoeven de onderliggende uitspraken geen nadere bespreking. 4Slotsom Nu is vastgesteld dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW zich voordoet en de rechtbank geen aanleiding ziet om hiervan af te zien, wordt de overlevering geweigerd. 5Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW. 6Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëist persoon] aan the Circuit Law Court in Świdnica (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. HEFT OP de geschorste overleveringsdetentie van [opgeëist persoon] . Aldus gedaan door mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter, mrs. J.A.A.G. de Vries en R. Godthelp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V.D. Reinders, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 november 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. HvJ EU 10 augustus 2017, C-271/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:629 (Zdziaszek).