vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel zaaknummer / rolnummer: C/13/715638 / KG ZA 22-260 MDvH/JD Vonnis in kort geding van 13 december 2022 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres bij dagvaarding van 1 april 2022, advocaat mr. F.R.G. Drenth te Baarn, tegen de stichting WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam, gedaagde. Partijen zullen hierna ook [eiseres] (of de moeder) en William Schrikker (of de GI) worden genoemd. 1De procedure 1.1. Op de mondelinge behandeling van 20 april 2022 heeft [eiseres] de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. De zaak is daarop (meermaals) pro forma aangehouden, in afwachting van het verloop van een traject bij GGZ Drenthe en van rapportage daarover. Bij e-mail van 24 oktober 2022 heeft [eiseres] een wijziging van eis aangekondigd. Bij de voortzetting van de mondelinge behandeling op 29 november 2022 heeft [eiseres] haar gewijzigde eis toegelicht. William Schrikker heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties ingediend. 1.2. Op de mondelinge behandeling van 20 april 2022 waren aanwezig: aan de kant van [eiseres] : - [eiseres] met haar (voormalig) advocaat mr. S.F. Smidt te Baarn; aan de kant van William Schrikker: - [naam 1] , jeugdzorgwerker bij William Schrikker, - [naam 2] , gebiedsmanager bij William Schrikker. 1.3. Op de voortzetting van de mondelinge behandeling waren dezelfde personen aanwezig, met uitzondering van mr. Smidt: zij is vervangen door mr. Drenth. Bij de voortzetting was ook [naam 3] aanwezig namens de Raad voor de Kinderbescherming Amsterdam. 1.4. Vonnis is bepaald op heden. 2De feiten 2.1. [eiseres] is de moeder van [minderjarige 1] . Op dit moment is [minderjarige 1] 10 maanden oud. William Schrikker is een gecertificeerde instelling die gespecialiseerde jeugdzorg verzorgt. 2.2. Bij beschikking van 7 december 2022 heeft deze rechtbank, op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), het gezag van [eiseres] over de toen nog ongeboren [minderjarige 1] geschorst en William Schrikker met de voorlopige voogdij belast. In die beschikking is – voor zover van belang – het volgende overwogen: “5.4 (…) Op basis van de stukken en gelet op het gestelde door de Raad, is de rechtbank van oordeel, dat er grote zorgen zijn over de ontwikkeling en de opvoedomgeving van het thans nog ongeboren kind. De moeder heeft een zeer belaste voorgeschiedenis. Zij is momenteel zwanger van haar vierde kind. Het gezag van de moeder over de oudste twee kinderen is reeds beëindigd, en het perspectief van haar derde kind, [minderjarige 2] , ligt elders. Op 21 oktober 2021 heeft de rechtbank moeders gezag over [minderjarige 2] beëindigd. De moeder houdt een muur op voor de hulpverlening, bijvoorbeeld over haar verblijfplaats en behandeling, waardoor er geen is op de situatie. Hierdoor bestaan er ernstige zorgen over de situatie van de moeder. 5.5 De rechtbank is van oordeel dat beëindiging van het gezag (…) voor nu een te verstrekkende maatregel is. Zowel de rechtbank als moeder en haar advocaat hebben zich niet goed op dit ter terechtzitting gedane verzoek kunnen voorbereiden. De moeder stelt dat zij zich wil aanmelden bij het Babyhuis in Leiden en dat zij daar hulp zal krijgen van verschillende professionals. Daarnaast stel[t] moeder dat geen sprake meer is van drugsgebruik (…). Moeder zal zich de komende tijd moeten bewijzen door om te beginnen duidelijkheid te verschaffen over waar zij verblijft, welke hulp zij krijgt en zal de GI en de Raad ervan moeten overtuigen dat zij blijvend hulp zal aanvaarden en open zal zijn. (…) Gelet op het voorgaande acht de rechtbank schorsing van het gezag dringend en noodzakelijk om de belangen van het ongeboren kind te kunnen behartigen. De moeder kan in de komende drie maanden laten zien dat ze geholpen wil worden en dat zij in staat is om de muur af te breken. (…)”. 2.3. Bij dagvaarding in een eerder kort geding van 3 januari 2022 heeft [eiseres] (kort gezegd) geëist dat William Schrikker zou meewerken aan plaatsing van [eiseres] in het Babyhuis te Leiden, zodat zij daar zou kunnen bevallen. Partijen hebben die procedure beëindigd door afspraken te maken tijdens de mondelinge behandeling van 12 januari 2022, welke zijn neergelegd in een proces verbaal van die datum. Die afspraken luiden als volgt: [naam 4] [de destijds betrokken gebiedsmanager van William Schrikker, vzr] wil onderzoeken of en op welke wijze [eiseres] contact kan krijgen met het (nu nog ongeboren) kindje, met als doel dat het kindje, indien mogelijk, bij haar kan worden geplaatst. In het licht hiervan is het de bedoeling dat [eiseres] (zo mogelijk samen met [naam 5] , de vader van haar ongeboren kindje) wordt opgenomen in óf de GGZ in Beilen, of Sterk Huis in Goirle, in beginsel waar het eerste plaats is. Sterk Huis heeft de eis dat [eiseres] een persoonlijkheidsonderzoek (een PO) ondergaat en het rapport daarvan kan laten zien. [eiseres] gaat zelf een PO regelen. Zij zal zich in eerste instantie wenden tot PsyQ. Indien dat te lang duurt of zij om andere redenen daar niet terecht kan of wil, zal zij zich tot een andere BIG geregistreerde psychiater wenden. De voorzieningenrechter raadt haar aan dit met spoed te doen (bij voorkeur nog voor de bevalling), zodat het vervolgtraject zo snel mogelijk in gang kan worden gezet. Zodra het rapport van het PO er is, zal [eiseres] dit delen met [naam 6] [jeugdzorgwerker bij William Schrikker, vzr] en [naam 4] . [eiseres] is al aangemeld bij beide instanties. Beilen is bezig met haar eigen beoordeling en Sterk Huis zal de aanmelding pas verder in behandeling nemen als het rapport van het PO er is. Het is niet uitgesloten dat op grond van de beoordeling door Beilen ook (aanvullende) voorwaarden worden gesteld. [eiseres] zal gaan naar de instelling waar het eerste plek voor haar is, tenzij [eiseres] een andere keuze (tussen deze twee instellingen) maakt.[eiseres] zal bevallen in het OLVG Oost en weet dat het kindje vrij snel na de geboorte (…) zal worden opgehaald om het te plaatsen in een perspectief biedend pleeggezin, in het belang van het (nu nog ongeboren) kindje. Zoals hiervoor gezegd, zal iedereen – [eiseres] , [naam 6] en [naam 4] – zich ervoor inzetten dat deze afspraken worden nageleefd, waarbij het belang van het kindje steeds voorop zal staan. 2.4. Op 8 februari 2022 is [eiseres] bevallen van [minderjarige 1] . 2.5. Op 14 februari 2022 heeft William Schrikker [eiseres] , evenals de vader en [minderjarige 1] , aangemeld bij GGZ Drenthe (Beilen). 2.6. Op 1 maart 2022 heeft de Raad voor de Kinderbescherming een verzoekschrift tot beëindiging van het ouderlijk gezag van [eiseres] over [minderjarige 1] ingediend bij deze rechtbank. In die zaak (met zaak- en rolnummer C/13/714628 / FA RK 22-1358) is de mondelinge behandeling gepland op 19 januari 2023. 2.7. [eiseres] heeft zicht tot Altrecht gewend voor een persoonlijkheidsonderzoek (PO). In april 2022 heeft zij daar haar eerste afspraak gehad. Op dit moment is het persoonlijkheidsonderzoek voltooid. De rapportage daarvan is nog niet gereed, maar [eiseres] verwacht die voor het eind van dit jaar. 2.8. Op 16 juni en 14 juli 2022 hebben intakegesprekken plaatsgevonden bij GGZ Drenthe in Beilen. Van 1 augustus tot en met 12 augustus 2022 hebben [eiseres] en [naam 5] , de vader van [minderjarige 1] (hierna: de vader), aldaar deelgenomen aan het ‘samenwerkingsopname’-traject. 2.9. Op 8 september 2022 heeft William Schrikker de opdracht aan GGZ Drenthe ingetrokken. 2.10. Op 12 september 2022 heeft een evaluatiegesprek plaatsgevonden waarbij [eiseres] , de vader, [naam 1] met een collega van William Schrikker, en medewerkers van GGZ Drenthe aanwezig waren. 2.11. Op 17 augustus 2022 heeft GGZ Drenthe een evaluatieverslag opgesteld. Daarin staat – voor zover van belang – het volgende: “De samenwerkingsopname is door het behandelteam van de Stee als onvoldoende gesteld. Tegelijkertijd heeft het behandelteam van de Stee wel het advies gegeven om ouders een nieuwe kans te geven voor een hernieuwde samenwerkingsopname. (…) De regiebehandelaar vult aan dat zij van de psychiater op de Stee heeft gehoord dat moeder betrouwbaar is ten aanzien van het nakomen van afspraken tijdens de samenwerkingsopname en ook daarna en dat moeder druk op zoek is naar een huis. (…) (…) de opdracht is teruggetrokken door de gezinsvoogd. Er is telefonisch contact geweest tussen de regiebehandelaar en de gezinsvoogd waarin gesproken is over deze afweging. Hierin heeft de regiebehandelaar verwoord, dat zolang er geen huisvesting is, we niet weten wat de mogelijkheden zijn van de ouders. (…) Met de gezinsvoogd is gesproken over een moeder-kind huis voor moeder, als onderliggende voorwaarde, van daaruit zou een hernieuwde samenwerkingsopname kans van slagen kunnen hebben, omdat we dan het groeipotentieel kunnen zien bij moeder. De regiebehandelaar tekent aan, dat als er een vervolg van de samenwerkingsopname zou komen (wat nu niet aan de orde is, doordat de gezinsvoogd de opdracht heeft teruggetrokken), is het belangrijk dat de spanning tussen moeder en de gezinsvoogd wordt opgelost. (…)”. 2.12. Op 4 oktober 2022 heeft GGZ Drenthe een ‘eindbrief behandeltraject na terugtrekken opdracht gecertificeerde instelling’ gestuurd aan [eiseres] en de vader, en aan William Schrikker. Daarin heeft staat – voor zover van belang – de volgende conclusie: “(…) Het traject was wat ons betreft nog niet klaar, omdat we benieuwd waren naar de vervolgstappen die jullie als ouders zouden gaan zetten. (…) we denken dat in het proces naar goed genoeg ouderschap er ruimte en tijd nodig is. Naast dat een ouder of ouders pas kunnen groeien naar goed genoeg ouderschap, wanneer zij voelen dat er naast hen iemand staat die erop vertrouwt dat het goed kan komen (…). Hierbij heb jij, moeder, aangegeven bereid te zijn om in een moeder-kind huis te gaan wonen als dit geïndiceerd zou zijn. Wij denken dat dit een belangrijke stap had kunnen zijn in de zoektocht naar goed genoeg ouderschap. (…) Daarnaast realiseren we ons, dat het voor [minderjarige 1] belangrijk is om helderheid te krijgen over haar perspectief, zeker gezien het feit dat [minderjarige 1] bijna acht maanden uit huis is geplaatst. Echter, we denken dat ten aanzien van het verhaal voor [minderjarige 1] en ten aanzien van ouderschap op afstand, het verhaal nog niet volledig rond is. (…) We weten door het terugtrekken van de opdracht niet of jullie, ouders, en jij, moeder, in dit geval met eigen huisvesting in een moeder-kind huis in staat zou zijn geweest om intergenerationele patronen te doorbreken. Wel weten we overstijgend dat wanneer we menen dat er sprake is van ernstige psychiatrische problematiek, we goed moeten kijken naar de context waarin iemand verblijft. Wanneer jij, moeder en jij, vader, elke dag opnieuw moeten zorgen dat jullie een plek hebben waar je kunt slapen, betekent dit een structureel gevoel van alertheid en onveiligheid. Deze gevoelens van onveiligheid zorgen voor een grote mate van onrust zoals ook gezien is ten tijde van de samenwerkingsopname. Het hebben van een eigen plek is daarom ook een belangrijke voorwaarde om te kunnen groeien tot goed genoeg ouderschap. Gezien het feit dat de William Schrikker Groep ook van mening is, dat wanneer de opdracht gecontinueerd zou zijn, jij, moeder, niet zelfstandig had kunnen wonen met [minderjarige 1] , had hier een kans kunnen liggen. Mocht na toetsing bij de rechtbank blijken dat de rechter van mening is dat jullie, ouders, nog een kans moeten krijgen op gezinshereniging met [minderjarige 1] , dan kunnen jullie opnieuw aangemeld worden bij de Gezinspsychiatrie.” 3Het geschil 3.1. [eiseres] vordert na wijziging van eis (samengevat) dat William Schrikker wordt verplicht om I haar opnieuw in te schrijven bij GGZ Drenthe voor het traject in Beilen, II haar medewerking te verlenen aan het traject van GGZ Drenthe in Beilen, III te wachten met verdere rechtsmaatregelen totdat het traject van GGZ Drenthe in Beilen is afgerond, IV [eiseres] tot en met 31 januari 2023 de tijd te geven om het persoonlijkheidsonderzoek bij Altrecht af te ronden, waarop zal worden gekeken of [eiseres] kan deelnemen aan het traject bij Sterk Huis, waaraan William Schrikker moet meewerken. 3.2. [eiseres] heeft ter onderbouwing van haar aanvankelijke vorderingen – kort gezegd – het volgende aangevoerd. Op 12 januari 2022 hebben [eiseres] en William Schrikker afspraken gemaakt over welk traject zal worden gevolgd om te onderzoeken op welke wijze het contact tussen [minderjarige 1] en [eiseres] voorlopig dient te worden vormgegeven (zie onder 2.3). Daarbij zijn twee opties besproken: GGZ Drenthe (in Beilen) en Sterk Huis (in Goirle). William Schrikker had [eiseres] en de vader (samen met [minderjarige 1] ) aangemeld bij GGZ Drenthe. [eiseres] heeft dit kort geding in april 2022 aanhangig gemaakt, omdat zij op dat moment van mening was dat beide opties (GGZ Drenthe en Sterk Huis) geen reële opties waren. Voor een traject bij Sterk Huis geldt een afgerond persoonlijkheidsonderzoek als voorwaarde. [eiseres] had zich voor dit onderzoek aangemeld bij Altrecht, maar stond daarvoor op een lange wachtlijst, waardoor toegang tot een traject bij Sterk Huis te lang op zich zou laten wachten. Ook GGZ Drenthe zou volgens [eiseres] geen haalbare kaart zijn, omdat nader onderzoek had uitgewezen dat huisvesting een noodzakelijke voorwaarde is voor dit traject, terwijl [eiseres] geen vaste verblijfplaats had en in financiële problemen verkeerde. 3.3. Nadat behandeling van dit kort geding pro forma was aangehouden, in afwachting van de intake bij GGZ Drenthe die gepland stond op 12 mei 2022, heeft GGZ Drenthe – na twee intakegesprekken (in juni en juli 2022, zie 2.8) – besloten om [eiseres] ,en de vader verder te laten gaan met het traject, ondanks het ontbreken van een vaste verblijfplaats. Dit traject is [eiseres] goed bevallen. Zij voelde zich gehoord en serieus genomen. GGZ Drenthe ziet potentie in [eiseres] en de vader, en heeft in haar eindverslag geadviseerd om de samenwerkingsopname over te doen wanneer [eiseres] huisvesting heeft gevonden. William Schrikker heeft echter de opdracht al ingetrokken en wil niet meewerken aan een nieuwe aanmelding bij GGZ Drenthe. [eiseres] heeft daarop haar eis gewijzigd zoals weergegeven onder 3.1. Als grondslag voor haar gewijzigde eis heeft [eiseres] zich beroepen op artikel 1:262 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en op artikel 8 van het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens (EVRM). Zij heeft aangevoerd dat op William Schrikker de plicht rust om de kans die GGZ Drenthe [eiseres] biedt om het ‘samenwerkingsweken’-traject opnieuw te volgen aan te grijpen. Dit geldt temeer nu [eiseres] onlangs een vaste woning heeft betrokken in [woonplaats] en vooruitgang is geboekt in het stabiliseren van haar financiële problemen, aldus steeds [eiseres] . 3.4. William Schrikker voert verweer. Zij meent – kort gezegd – dat het volgen van een nieuw traject bij GGZ Drenthe niet in het belang van [minderjarige 1] is. 3.5. De Raad heeft verklaard dat [eiseres] nu misschien wel aan zichzelf aan het werken is, maar dat [minderjarige 1] daar (nog) weinig van merkt. Er is zelfs nog geen stabiliteit in de omgangsmomenten. [minderjarige 1] heeft nu stabiliteit in de opvoedsituatie nodig en die krijgt zij niet met de onvoorspelbaarheid en het gebrek aan beschikbaarheid van haar beide (biologische) ouders. De Raad geeft aan dat voor [minderjarige 1] twee tegengestelde belangen in het geding zijn: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.