← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:7701

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/220966-22 RK nummer: 22/4446 Datum uitspraak: 20 december 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 oktober 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 13 juli 2022 door the Circuit Court in Bydgozcz, III Criminal Division (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de [detentieplaats] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 6 december 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A. El Darrazi, advocaat te Tilburg, en door een tolk in de Poolse taal. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van: - Een cumulative judgement of the Regional Court in Bydgoszcz van 30 november 2015, met referentie III K 122/15, met de onderliggende twee vonnissen:  een vonnis van the Regional Court in Bydgoszcz van 3 april 2009 met referentie III K 258/07;  een vonnis van the District Court in Bydgoszcz van 6 april 2010 met referentie II K 740/07. - Een judgement of the District Court in Bydgoszcz van 2 november 2020, met referentie IV K 646/20. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van: - ten aanzien van III K 122/15: een vrijheidsstraf van 10 jaar en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 2 maanden en 13 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. - ten aanzien van IV K 646/20: een vrijheidsstraf van 3 jaar en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 2 jaar, 6 maanden en 25 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Bovengenoemde vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel

  1. e)van het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW 3.1.1. De raadsvrouw heeft ten aanzien van artikel 12 OLW geen standpunt ingenomen. De officier van justitie heeft betoogd dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW niet van toepassing is. 3.1.2. De rechtbank zal in het hiernavolgende elk van de onder 3 genoemde vonnissen toetsen aan artikel 12 OLW. III K 122/15 3.1.3. In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot het verzamelvonnis met referentie III K 122/15 heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW doet zich ten aanzien van dit verzamelvonnis dan ook niet voor. III K 258/07 3.1.4. Uit aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 25 oktober 2022 blijkt dat er tegen het vonnis met referentie III K 258/07 hoger beroep is ingesteld. De opgeëiste persoon is bij de behandeling van het hoger beroep op 15 oktober 2009 in persoon verschenen. In hoger beroep is het vonnis in eerste aanleg in stand gelaten, omdat geoordeeld is dat het hoger beroep obviously groundless was. Ten aanzien van de procedure in hoger beroep doet de weigeringsgrond van artikel 12 OLW zich niet voor omdat de opgeëiste persoon hierbij aanwezig was. 3.1.5. Uit de stukken blijkt niet of er in hoger beroep definitief is geoordeeld over de schuld en de straf van de opgeëiste persoon. De rechtbank zal om die reden ook de procedure in eerste aanleg toetsen aan artikel 12 OLW. Voor wat betreft deze procedure geldt dat de opgeëiste persoon zelf heeft aangegeven dat hij aanwezig is geweest bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Ook ten aanzien van deze procedure in eerste aanleg doet de weigeringsgrond van artikel 12 OLW zich dus niet voor. II K 740/07 3.1.6. Uit aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 7 november 2022 blijkt dat er tegen het vonnis met referentie II K 740/07 hoger beroep is ingesteld. Uit de stukken blijkt niet of in hoger beroep definitief is geoordeeld over de schuld en straf van de opgeëiste persoon. Om die reden moet de rechtbank zekerheidshalve zowel de procedure in eerste aanleg als die in hoger beroep onderwerpen aan de toets van artikel 12 OLW. 3.1.7. Uit de aanvullende informatie van 7 november 2022 blijkt dat er tegen het vonnis met referentie II K 740/07 hoger beroep is ingesteld door de advocaat van de opgeëiste persoon. Niet staat vast dat de opgeëiste persoon hiervan op de hoogte was. Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, kan naar het oordeel van de rechtbank namelijk niet vastgesteld worden dat sprake was van een gemachtigd advocaat. Uit de gegeven informatie dat de opgeëiste persoon properly notified is van het plaatsvinden van de behandeling in hoger beroep, kan niet ondubbelzinnig worden afgeleid dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW. Ook van een van de situaties als bedoeld in artikel 12, sub b t/m d, OLW, is geen sprake. Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren, nu niet vast is komen te staan dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten in hoger beroep op enige wijze uit heeft kunnen oefenen of hier bewust van heeft afgezien. 3.1.8. Nu de rechtbank de overlevering voor II K 740/07 gelet op de procedure in hoger beroep weigert op grond van artikel 12 OLW, komt de rechtbank aan de toetsing van de procedure in eerste aanleg aan artikel 12 OLW niet toe. IV K 646/20 3.1.9. In het EAB en in de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 25 oktober 2022 staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing met referentie IV K 646/20 heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW doet zich ten aanzien van dit vonnis dan ook niet voor. 3.2 Genoegzaamheid: strafrestant De raadsvrouw heeft verzocht de overlevering in zijn geheel te weigeren, omdat er onduidelijkheid bestaat over het strafrestant. Voor het verzamelvonnis met referentie III K 122/15 geldt dat de opgeëiste persoon zelf heeft aangegeven dat hij de opgelegde straf al volledig heeft uitgezeten. Voor wat betreft het vonnis met referentie IV K 646/20 is het onduidelijk of de opgeëiste persoon de straf al heeft uitgezeten. Het EAB biedt ten aanzien hiervan geen duidelijkheid. De officier van justitie is van mening dat de overlevering kan worden toegestaan. De opgeëiste persoon heeft voor zijn stelling dat hij de straf die hoort bij het verzamelvonnis al volledig heeft uitgezeten geen enkel bewijs geleverd. Uit het EAB blijkt duidelijk wat het strafrestant is. De officier van justitie heeft daarnaast verwezen naar een uitspraak van 11 augustus 2022, waaruit blijkt dat in de overleveringsprocedure alleen de opgelegde straf getoetst wordt en niet de reststraf. De rechtbank sluit zich aan bij hetgeen de officier van justitie heeft aangevoerd. In onderdeel
  2. c)van het EAB staat duidelijk welke straffen initieel zijn opgelegd en wat hiervan het nog uit te zitten deel is. Voor zover er al onduidelijkheid bestaat over de reststraf, staat dit niet aan overlevering in de weg, nu niet is gebleken dat de straf volledig ten uitvoer is gelegd. De berekening van het strafrestant is een executiekwestie die voorligt bij de Poolse autoriteiten. Het verweer slaagt niet. 4Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten die horen bij de vonnissen waarvoor de overlevering wordt toegestaan leveren naar Nederlands recht op: III K 258/07 medeplegen van doodslag IV K 646/20 diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak 5Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 6Slotsom Nu ten aanzien van de feiten die horen bij het verzamelvonnis III K 122/15, het daaraan ten grondslag liggende vonnis III K 258/07 en het op zichzelf staande vonnis IV K 646/20 waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor die feiten te worden toegestaan. Voor wat betreft het feit dat hoort bij het aan het verzamelvonnis III K 122/15 ten grondslag liggende vonnis II K 740/07, wordt de overlevering op grond van artikel 12 OLW geweigerd. De rechtbank kan niet beoordelen welk gedeelte van de vrijheidsstraf geacht moet worden te zijn opgelegd ter zake van het feit dat hoort bij het aan het verzamelvonnis III K 122/15 ten grondslag liggende vonnis met referentie III K 258/07 waarvoor de overlevering moet worden toegestaan. Een en ander staat ter beoordeling van de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat, die gehouden zijn om, na de feitelijke overlevering, de tenuitvoerlegging van de straf tot het hiervoor bedoelde gedeelte te beperken. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 47, 287 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Bydgozcz, III Criminal Division (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van: het gedeelte van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, dat is opgelegd voor het feit dat hoort bij het aan het verzamelvonnis met referentie III K 122/15 ten grondslag liggende vonnis met referentie III K 258/07; de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, die is opgelegd voor het feit dat hoort bij het op zichzelf staande vonnis met referentie IV K 646/20. WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor zover het EAB betrekking heeft op het gedeelte van de vrijheidsstraf dat is opgelegd voor het feit dat hoort bij het aan het verzamelvonnis met referentie III K 122/15 ten grondslag liggende vonnis met referentie II K 740/07. Aldus gedaan door mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter, mrs. G.M. Beunk en D. Hein, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 20 december 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Hof van Justitie 10 augustus 2017, ECLI:EU:C:2017:628. Hof van Justitie 10 augustus 2017, ECLI:EU:C:2017:628. ECLI:NL:RBAMS:2022:7008. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.