vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel zaaknummer / rolnummer: C/13/725438 / KG ZA 22-959 AB/EB Vonnis in kort geding van 22 december 2022 in de zaak van 1 [eiser 1] , 2. [eiser 2], beiden domicilie kiezend te [domicile] , eisers bij dagvaarding van 21 november 2022, advocaat mr. L. de Leon te Utrecht, tegen de naamloze vennootschap ABN AMRO BANK N.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde, advocaat mr. J.W. Achterberg te Amsterdam. Partijen zullen hierna [eiser 1] , [eiser 2] en de Bank worden genoemd. 1De procedure Op de zitting van 8 december 2022 hebben [eiser 1] en [eiser 2] de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. De Bank heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een conclusie van antwoord die voorafgaand aan de zitting was toegezonden. Beide partijen hebben producties ingediend. Ter zitting was [eiser 2] aanwezig met mr. De Leon en zijn kantoorgenoot mr. L.J.H. Kortz. [eiser 1] was niet aanwezig. Aan de zijde van de Bank waren aanwezig mr. [naam 1] (bedrijfsjurist) en mr. Achterberg. Vonnis is bepaald op vandaag. 2De feiten 2.1. In 2007 is [eiser 1] de eenmanszaak [naam bedrijf 1] gestart. Van daaruit exploiteerde hij een zonnebankstudio. In 2009 is hij samen met een derde [naam bedrijf 2] gestart. Vanaf 2014 bankierden beide ondernemingen bij de Bank. Op enig moment heeft [eiser 1] [naam bedrijf 1] omgedoopt tot [naam bedrijf 3] . Hij exploiteert vanuit die onderneming tegenwoordig (ook) een handel in rvs meubilair. [naam bedrijf 3] heeft ook een rekening bij KNAB. Op de website van [naam bedrijf 3] staat vermeld het adres van een showroom aan de [adres showroom] . 2.2. [eiser 1] is in oktober 2016 veroordeeld voor het witwassen van ruim € 500.000,00. Berichten daarover hebben de landelijke pers gehaald. Op 22 december 2020 is de veroordeling in hoger beroep (deels) bekrachtigd. Het Hof heeft geoordeeld dat er een verschil van € 433.163,00 was tussen de contante uitgaven en de legale contante inkomsten van [eiser 1] . Voor het “teveel” uitgegeven geldbedrag heeft [eiser 1] geen concrete min of meer verifieerbare verklaring gegeven, althans geen verklaring die aannemelijk is geworden, aldus het Hof. Het Hof komt daarom tot de conclusie dat een criminele herkomst voor het contant uitgegeven geldbedrag als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Het Hof heeft [eiser 1] schuldig verklaard aan gewoontewitwassen in de periode 2006-2013. [eiser 1] heeft beroep in cassatie ingesteld. 2.3. [eiser 2] is de levenspartner van [eiser 1] . Op haar naam staat met ingang van 28 oktober 2019 in het handelsregister onder de naam [naam bedrijf 4] een eenmanszaak geregistreerd die actief is in de handel in rvs meubelen, met een bezoekadres aan de [bezoekadres] . Op de website van [naam bedrijf 4] staat dat zij nauw samenwerkt met [naam bedrijf 3] . [eiser 2] bankiert privé bij de Bank. In november 2019 heeft zij voor [naam bedrijf 4] ook een zakelijke rekening aangevraagd bij de Bank, maar die aanvraag is afgewezen. Op een aantal van de facturen van [naam bedrijf 4] die door de Bank zijn overgelegd, staat dat [naam bedrijf 4] een bankrekening bij KNAB heeft. Op al die facturen zijn de gegevens van de klant niet of hooguit heel summier vermeld, bijvoorbeeld “ [naam 2] [domicile] ”. Op een deel van die facturen staat dat de klant contant heeft betaald. 2.4. In het kader van het doorlopend klantonderzoek heeft de Bank vanaf medio 2020, en meer intensief vanaf december 2021, bij [eiser 1] informatie over zijn ondernemingen opgevraagd. [eiser 1] heeft ook herhaaldelijk informatie en documentatie aan de Bank verstrekt, rechtstreeks en via zijn boekhouder De Leidsche Rijn Adviesgroep. 2.5. De verstrekte informatie was onvoldoende voor de Bank. Bij aangetekende brieven van 7 april 2022 heeft zij [eiser 1] geïnformeerd dat zij had besloten de bancaire relatie met [eiser 1] / [naam bedrijf 3] en [naam bedrijf 2] per 8 juni 2022 te beëindigen, omdat zij het op grond van de Wft en Wwft vereiste klantonderzoek niet kon afronden en omdat zij twijfelde aan de integriteit van [eiser 1] . [eiser 1] en [naam bedrijf 2] hebben bezwaar gemaakt tegen dat besluit. De Bank heeft dat bezwaar op 7 juni 2022 afgewezen, maar nog eenmaal de gelegenheid gegeven om de openstaande vragen tijdig en volledig te beantwoorden. Het ging om de volgende vragen: 2.6. De Leidsche Rijn Adviesgroep heeft namens [eiser 1] op 16 juni 2022 inhoudelijk gereageerd op de openstaande vragen. 2.7. Bij brieven van 29 respectievelijk 30 juni 2022 heeft de Bank de klantrelaties met [naam bedrijf 2] en [eiser 1] / [naam bedrijf 3] beëindigd per 29 respectievelijk 30 augustus 2022 en is aangekondigd dat [eiser 1] en [naam bedrijf 2] voor de duur van vijf jaar worden opgenomen op de interne CAAML-Lijst van de Bank (een lijst van klanten van wie de Bank afscheid heeft moeten nemen vanwege het niet kunnen voldoen aan verplichtingen uit de Wwft). De beëindiging van de relatie met [naam bedrijf 2] is als volgt gemotiveerd: De motivering voor de beëindiging van de relatie met [eiser 1] is de volgende: “(…) De bank kan het klantenonderzoek niet afronden en niet uitsluiten dat de gelden op onrechtmatige wijze zijn verkregen of dat de producten en diensten op oneigenlijke wijze worden gebruikt. Om deze redenen blijft het genomen besluit om afscheid van u te nemen onverminderd van kracht. Vanwege uw rol als vennoot van de onderneming rekent de bank u dit ook persoonlijk aan. Hierdoor twijfelt de bank aan uw integriteit, waardoor redelijkerwijs niet van de bank verlangd kan worden dat de relatie met u worden gecontinueerd. Om deze reden heeft de bank besloten om de bancaire relatie met u te beëindigen. (…)” 2.8. Bij brief van hun advocaat van 19 september 2022 hebben [eiser 1] en [eiser 2] de Bank verzocht – kort gezegd – de beëindiging van de relatie met [eiser 1] en de afwijzing van de aanvraag van een zakelijke rekening door [eiser 2] te heroverwegen. Dat heeft niet geleid tot een andere uitkomst. 3Het geschil 3.1. [eiser 1] en [eiser 2] vorderen, kort gezegd: de bankrelatie met [eiser 1] voort te zetten dan wel te herstellen; voor [eiser 2] een basisbetaalrekening te openen; en hun persoonsgegevens te verwijderen uit het Interne Verwijzingsregister, dan wel de termijn van opname te verkorten; subsidiair een andere passende voorziening te treffen; met veroordeling van de Bank in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met rente; alles op straffe van verbeurte van dwangsommen. 3.2. De Bank voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Een gebod om een bankrelatie voort te zetten of aan te gaan, kan in kort geding worden uitgesproken als voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter die vordering zal toewijzen en als niet van de eisende partij kan worden gevergd dat die de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. 4.2. Het spoedeisend belang bij de vorderingen volgt in dit geval uit de aard daarvan. 4.3. De Bank heeft de opzegging van de relatie met de ondernemingen van [eiser 1] gebaseerd op de uitkomst van het klantonderzoek dat zij moet uitvoeren op grond van de Wet op het financieel toezicht en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, in combinatie met artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden. Op grond van dat artikel mag de Bank de relatie met een klant beëindigen zonder dat die klant in verzuim is met de nakoming van zijn verplichtingen. Beëindiging van de relatie is alleen niet toegestaan als die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarbij moet de Bank wel haar zorgplicht jegens de klant in acht nemen, waarin ook het belang van toegang tot het betalingsverkeer voor de rekeninghouders wordt meegewogen. 4.4. Banken hebben op grond van de Wwft een verantwoordelijkheid bij het signaleren van zogenoemde financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Zij moeten zoveel mogelijk voorkomen dat het financiële systeem voor oneigenlijke doelen wordt misbruikt. Daartoe moeten zij onderzoek doen naar hun cliënten en de verzamelde informatie up-to-date houden. Als een bank haar cliëntenonderzoek niet kan voltooien, moet zij de relatie met die klant beëindigen (artikel 5 lid 3 Wwft). De bank kan dan immers het risico van misbruik van de door haar aangeboden producten en diensten niet overzien. Het is voor de beëindiging van de relatie niet noodzakelijk dat er concrete bewijzen zijn dat de klant betrokken is bij criminele activiteiten. 4.5. Banken hebben geen formele opsporingsbevoegdheden en zijn voor het klantonderzoek afhankelijk van informatie uit openbare bronnen en informatie van de klant zelf. De klant is verplicht de bank te voorzien van de nodige informatie over – onder meer – zijn activiteiten en de wijze waarop hij aan het geld is gekomen dat hij bij de bank onderbrengt (artikelen 2 lid 2, 3 en 7 van de Algemene Bankvoorwaarden). 4.6. Het klantonderzoek heeft volgens de Bank een aantal onregelmatigheden opgeleverd. Zo is (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.