RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751850-21 RK nummer: 21/4323 Datum uitspraak: 22 juni 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 4 augustus 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 30 april 2021 door the Regional Court in Lomza, Second Penal Division (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1969 verblijfsadres: [adres] . hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang Zitting 8 oktober 2021 De vordering is behandeld op de openbare zitting. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes en de raadsman van verdachte, mr. R. Malewicz, advocaat te Amsterdam. De opgeëiste persoon is niet verschenen. Het onderzoek ter zitting is geschorst voor onbepaalde tijd in afwachting van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie naar aanleiding van de verwijzingsbeslissing van de rechtbank van 14 september 2021 met kenmerk ECLI:NL: RBAMS:2021:5052. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd. Ook heeft zij de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor 60 dagen verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om de beslissing van een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over prejudiciële vragen die relevant zijn voor de door de rechtbank te nemen beslissing en zij daarom nog niet over de verzochte overlevering kan beslissen. Verlengingen beslistermijn in raadkamer De beslistermijn zoals bedoeld in artikel 23, vierde lid, OLW is in de raadkamer van de rechtbank op 17 december 2021, 23 februari 2022 en 26 april 2022 telkens verlengd met 60 dagen. Zitting 8 juni De behandeling van de vordering is hervat op de openbare zitting. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft en de gemachtigde raadsman van de opgeëiste persoon, mr. R. Malewicz, advocaat te Amsterdam. De opgeëiste persoon is niet verschenen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een arrest van the Court of Appeals in Bialystok van 18 maart 2021 met kenmerk II K 24/20. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 7 jaar en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Volgens informatie van het EAB resteren nog 2 jaar en 10 maanden en 20 dagen gevangenisstraf. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft zoals omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt raadsman De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is niet van toepassing aangezien uit de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten blijkt dat de opgeëiste persoon in hoger beroep is vertegenwoordigd door een gemachtigde raadsman en dat deze raadsman namens de opgeëiste persoon appel heeft ingesteld. Standpunt officier van justitie De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is niet van toepassing aangezien de situatie van artikel 12 onder b zich voordoet. De overlevering kan worden toegestaan. Oordeel van de rechtbank In het EAB staat vermeld dat de behandeling van de zaak in hoger beroep buiten aanwezigheid van de opgeëiste persoon heeft plaatsgevonden. Voorts staat vermeld dat een door de opgeëiste persoon gemachtigde raadsman de opgeëiste persoon heeft verdedigd ter zitting in hoger beroep terwijl de opgeëiste persoon op de hoogte was van het tijdstip van de zitting. In de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten van 26 augustus 2022 staat in antwoord op de vraag van het IRC of in hoger beroep is geoordeeld over schuld en straf, vermeld dat de straf in stand is gelaten. De opgeëiste persoon heeft bij de Nederlandse officier van justitie verklaard dat hij in eerste aanleg bij de behandeling van zijn zaak aanwezig is geweest. Tevens blijkt uit de aanvullende informatie van 26 augustus 2022 dat de raadsman namens de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld en dat het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden aan de hand van de door de raadsman ingediende appelschriftuur. De rechtbank leidt uit het bovenstaande af dat in eerste aanleg definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de opgeëiste persoon en dat in hoger beroep definitief uitspraak is gedaan over de aard en de duur van de opgelegde straf, waarbij sprake is geweest van een zekere beoordelingsbevoegdheid van de rechterlijke instantie in hoger beroep. Gelet op de arresten Tupikas en Zdziaszek van het Hof van Justitie van de Europese Unie dient in dit geval zowel voor de procedure in eerste aanleg als de procedure in hoger beroep te worden onderzocht of artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat voor wat betreft de procedure in eerste aanleg niet hoeft te worden getoetst of de weigeringsgrond van artikel 12 OLW zich voordoet nu de opgeëiste persoon verklaart aanwezig te zijn geweest bij het proces in eerste aanleg. Voor wat betreft de procedure in hoger beroep doet de situatie als bedoeld onder 12, onder b, OLW zich voor, zodat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW geen toepassing vindt. 5Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten: Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. 6Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 7Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 8Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 9Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Lomza, Second Penal Division (Polen) voor de feiten zoals omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter, mrs. M. van Mourik en S.E. Bauduin, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 juni 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. HvJ EU 10 augustus 2017, C-270/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:628 (Tupikas). HvJ EU 10 augustus 2017, C-271/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:629 (Zdziaszek). . Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. . Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).