RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751992-21 RK nummer: 22/2389 Datum uitspraak: 22 juni 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 april 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 5 augustus 2021 door the Regional Court in Poznan, Third Criminal Division (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1985 zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 juni 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, advocaat te Amsterdam. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. De opgeëiste persoon is op 12 mei 2022 door de officier van justitie onmiddellijk in vrijheid gesteld omdat de termijn om de opgeëiste persoon voor te geleiden was verstreken. De officier van justitie heeft ter zitting niet de gevangenhouding gevorderd en de rechtbank heeft deze niet ambtshalve bevolen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van twee vonnissen: - II K 747/13: vonnis van 16 oktober 2013, gewezen door the District Court in Leszno waarin de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar, waarvan volgens informatie in het EAB nog 11 maanden en 27 dagen resteren: - II K 154/14: vonnis van 7 mei 2014, gewezen door the District Court in Leszno waarin de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan volgens informatie in het EAB nog 9 maanden en 27 dagen resteren. In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing in vonnis in zaak II K 747/13 heeft geleid. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van bovengenoemde vrijheidsstraffen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW; zaak II K 154/14 Standpunt van de raadsvrouw De overlevering ten aanzien van vonnis II K 154/14 dient te worden geweigerd aangezien niet is voldaan aan de vereisten zoals gesteld in artikel 12 OLW. Standpunt van de officier van justitie De overlevering dient te worden geweigerd ten aanzien van vonnis II K 154/14 aangezien de opgeëiste persoon ten tijde van de inhoudelijke behandeling van zijn zaak op 7 mei 2014 in detentie verbleef en kennelijk niet is aangevoerd ter zitting van de Poolse rechtbank. De plicht die uit artikel 139 van het Poolse Wetboek van Strafvordering voortvloeit dat de opgeëiste persoon iedere adreswijziging doorgeeft aan justitie kan niet zo ver gaan dat ook als hij in detentie verblijft hij zijn adreswijziging moet doorgeven. De rechtbank kan onder deze omstandigheden dan ook niet afzien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was en niet in persoon is opgeroepen voor de zitting. Wel is de opgeëiste persoon op andere wijze in kennis gesteld van het tijdstip van de zitting. Verder staat in het EAB vermeld dat de opgeëiste persoon tweemaal is opgeroepen op het adres dat de opgeëiste persoon heeft opgegeven tijdens de opsporingsprocedure. De opgeëiste persoon is toen geïnstrueerd dat hij verplicht is om elke adreswijziging aan de autoriteiten door te geven. Ook is de opgeëiste persoon geïnformeerd dat de zaak buiten zijn afwezigheid kon worden afgedaan indien hij niet zou verschijnen. Ten slotte staat in het EAB vermeld dat de opgeëiste persoon een overeenkomst heeft gesloten die daarna door de rechtbank is bevestigd. Uit de aanvullende informatie van de brief van 17 februari 2021 van de Poolse autoriteiten blijkt dat de opgeëiste persoon gedetineerd was van 25 maart 2014 tot en met 26 januari 2015 en dat de zitting waarop de zaak van de opgeëiste persoon is behandeld op 7 maart 2022 is geweest. Bij brief van 3 juni 2022 van de Poolse autoriteiten is de datum waarop de zitting heeft plaatsgevonden gecorrigeerd naar 7 mei 2014. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de opgeëiste persoon gedetineerd was ten tijde van de zitting van 7 mei 2014 en dat hij dus onder de macht stond van de Poolse overheid. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon stilzwijgend afstand zou hebben gedaan van zijn verdedigingsrechten door niet tijdig zijn adres wijziging door te geven. De opgeëiste persoon was immers als gedetineerde in de macht van de Poolse justitie en het lag derhalve op de weg van de Poolse justitie om te achterhalen waar de opgeëiste persoon verbleef. De rechtbank zal de overlevering van de opgeëiste persoon dan ook weigeren ten aanzien van het vonnis in zaak II K 154/14. 5Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit van vonnis II K 747/13 niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: diefstal en diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking. 6Slotsom Nu ten aanzien van het feit van vonnis II K 747/13 waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor die feiten te worden toegestaan. Voor het feit van vonnis II K 154/14 moet de overlevering worden geweigerd. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Poznan, Third Criminal Division (Polen) voor het feit van vonnis II K 747/13, zoals die is omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor zover het EAB betrekking heeft op de vrijheidsstraf die is opgelegd wegens het feit van vonnis II K 154/14. Aldus gedaan door mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter, mrs. M. van Mourik en S.E. Bauduin, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 juni 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.