← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:8112

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751294-21 RK nummer: 22/3269 Datum uitspraak: 20 september 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 juni 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 2 maart 2021 door das Amtsgericht Lampertheim (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 6 september

  1. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Westerman en de gemachtigde raadsman van de opgeëiste persoon, mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht. De opgeëiste persoon is niet verschenen ter zitting van de rechtbank. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit heeft. 3Standpunt van de verdediging De raadsman heeft het woord gevoerd en ziet in de door hem voorgehouden brief van de opgeëiste persoon en gelet op het dossier geen aanleiding om een weigeringsgrond aan te voeren. 4Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een op 2 maart 2021 door het Amtsgericht Lampertheim uitgevaardigd arrestatiebevel met nummer 53 Gs 900 Js 8611/
  2. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. 5Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten: Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. 6De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan. The Public Prosecutor’s Office Darmstadt heeft op 29 augustus 2022 de volgende garantie gegeven: “ (…) European Arrest Warrant concerning Mr. [opgeëiste persoon], born [geboortedag]. 1995 (…) With reference to the extradition request and the related e-mail message dated of 19 Aug. 2022, we hereby specifically guarantee and assure, that the prosecuted Netherlandish national [opgeëiste persoon], in case of being convicted to an unsuspended custodial sentence, will be returned to The Netherlands to serve his sentence in his country of nationality.” Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende. 7Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Eerste lid, onderdeel a (feit geheel of ten dele in Nederland gepleegd) Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW kan de rechtbank de overlevering in die situatie weigeren. De officier van justitie heeft de rechtbank in overweging gegeven om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond en heeft daartoe het volgende aangevoerd: - het onderzoek is in Duitsland aangevangen; - de verdovende middelen zijn naar Duitsland vervoerd; - de bewijsmiddelen bevinden zich (grotendeels) in Duitsland; - de medeverdachten (zullen) ook in Duitsland vervolgd worden; - Nederland is niet voornemens om zelf voor deze feiten te vervolgen. De rechtbank stelt voorop dat aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en toepassing van een facultatieve weigeringsgrond de uitzondering dient te zijn. De weigeringsgrond strekt ertoe te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten vormt het gegeven dat de feiten geacht worden geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. 7Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 8Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 7 en 13 OLW. 9Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan das Amtsgericht Lampertheim (Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Aldus gedaan door mr. J.G. Vegter, voorzitter, mrs. M.C. Eggink en D.P. Hein, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 20 september
  3. Mr. D.P. Hein is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.