← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:8122

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751612-20 RK nummer: 20/3498 Datum uitspraak: 14 december 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 juli 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 22 juni 2020 door the Regional Court in Gliwice (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1993 ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres opgeëiste persoon] hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 30 november 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Kocabas, advocaat te Zoetermeer en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank ex artikel 22 OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, reeds is verstreken. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor gevangenhouding. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een enforcable judgment of The Regional Court in Gliwice of 25th may 2018, valid in law at 15th november 2018. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 3 jaar en 2 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 3 jaar, 1 maand en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel

  1. e)van het EAB. 4Artikel 12 OLW In het EAB onder
  2. d)staat opgenomen dat de opgeeiste persoon is verschenen bij de behandeling van zijn zaak in eerste aanleg bij de zitting van the Regional Court in Gliwice dat heeft geleid tot het vonnis van 25 mei 2018. Uit een e-mail van de Poolse autoriteiten van 26 augustus 2022 blijkt dat op 15 november 2018 het definitieve vonnis is gewezen door the Appeal Court in Katowice. Uit het alsnog overgelegde
  3. d)formulier voor het proces in hoger beroep blijkt dat de opgeeiste persoon niet ter zitting in hoger beroep is verschenen maar dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces en dat hij in hoger beroep is vertegenwoordigd door een door hem gemachtigde advocaat die hem daadwerkelijk ter zitting heeft verdedigd. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de uitzondering van artikel 12 onder b OLW zich voordoet in hoger beroep, zodat in het midden kan blijven of de procedure in eerste aanleg en/of de procedure in hoger beroep moet worden getoetst en de weigeringsgrond van artikel 12 OLW hoe dan ook niet van toepassing is. 5Genoegzaamheid Standpunt raadsman De feitsomschrijving is niet genoegzaam aangezien het onduidelijk is waarom de pleegperiode van feit 1 van begin januari 2016 tot 13 mei 2017 loopt terwijl feit 2 gepleegd is op 13 mei 2017. Op grond hiervan dient de overlevering te worden geweigerd. Standpunt officier van justitie De Poolse autoriteiten hebben ervoor gekozen om het op deze manier op te schrijven. Het raakt niet de genoegzaamheid van de stukken en de overlevering kan dan ook worden toegestaan. Oordeel van de rechtbank Het EAB dient gegevens te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Zo dient het EAB een beschrijving van de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd te bevatten, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon is veroordeeld voor twee feiten: 1. de verkoop van in totaal 6,075 kg hennep en van 10 gram amfetamine op tijdstippen in de periode van januari 2016 tot 13 mei 2017 te Knurow en op andere plekken in de provincie Silezië in Polen en 2: het voorhanden hebben van 23 gram hennep op 13 mei 2017. De omschrijving van de feiten is zodanig dat het voor de rechtbank mogelijk is te onderzoeken of aan alle voorwaarden voor de overlevering is voldaan en de naleving van het specialiteitsbeginsel kan worden gewaarborgd. De omschrijving voldoet aan de eisen gesteld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder e van de OLW en is daarmee genoegzaam. De rechtbank verwerpt het door de verdediging gevoerde verweer. 6Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten: Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op de feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. 7Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 8Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 9Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Gliwice (Polen) voor de feiten zoals omschreven in onderdeel
  4. e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. P. van Kesteren, voorzitter, mrs. J.A.A.G. de Vries en J. van Zijl, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 14 december 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.