RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/244669-22 RK nummer: 22/4375 Datum uitspraak: 14 december 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 30 september 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 23 juni 2022 door The Regional Court of Toruń (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1969 laatst opgegeven woon- of verblijfplaats: [adres], [plaats] uit anderen hoofde gedetineerd in de [detentieadres] hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang Zitting van 16 november 2022 De vordering is behandeld op de openbare zitting van 16 november 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. Zitting van 30 november 2022 De behandeling van de vordering is hervat op de openbare zitting van 30 november 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. P.C. Schouten, advocaat te Breda en door een tolk in de Poolse taal. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van de Regional Court in Toruń van 2 januari 2017, met referentie II K 45/12. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden, door de opgeëiste persoon nog geheel te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. 4Artikel 12 OLW In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon niet is verschenen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid en dat hij op de juiste wijze via de post is opgeroepen voor de zitting. Uit aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten van 27 oktober 2022 en 4 november 2022 blijkt dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd om namens hem op te treden en dat deze hem daadwerkelijk ter zitting heeft vertegenwoordigd. Op grond van het voorgaande is niet voldaan aan de situatie zoals bedoeld in artikel 12 onder b, OLW, omdat uit de aanvullende informatie niet kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk op de hoogte was van de datum en tijdstip van de zitting. Ook de andere in artikel 12 OLW genoemde omstandigheden doen zich niet voor en evenmin is een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. De rechtbank ziet echter aanleiding af te zien van het toepassen van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW nu het op de weg lag van de opgeëiste persoon om alert te blijven en te informeren over de verdere verloop van de strafprocedure tegen hem, al dan niet bij zijn raadsman. Van een schending van verdedigingsrechten is in dit geval geen sprake. 5Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten naar Nederlands recht op: Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, meermalen gepleegd en medeplegen van witwassen. 6Detentieomstandigheden Standpunt van de raadsman De raadsman doet een beroep op artikel 11 OLW omdat er door Polen onvoldoende maatregelen zijn getroffen om de veiligheid van de opgeëiste persoon in detentie te kunnen garanderen. Op die grond dient de overlevering te worden geweigerd. Standpunt van de officier van justitie De detentieomstandigheden staan niet in de weg aan overlevering van de opgeëiste persoon aangezien de rechtbank Amsterdam geen algemeen gevaar voor Polen heeft vastgesteld. Oordeel van de rechtbank De rechtbank hanteert bij de toetsing van het verweer het kader, zoals dat is gegeven door het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest van 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru). De rechtbank heeft eerder naar aanleiding van overleveringsverzoeken uit Polen de detentieomstandigheden aldaar beoordeeld, waarbij, onder meer in de uitspraak van 22 oktober 2018, is vastgesteld dat uit de beschikbare gegevens over de algemene detentieomstandigheden in Polen niet blijkt van een reëel gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Evenmin heeft de raadsman objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over detentieomstandigheden in Polen naar voren gebracht die duiden op een verandering in de situatie. Nu de rechtbank ook ambtshalve niet over dergelijke informatie beschikt kan geen algemeen gevaar worden vastgesteld en komt de rechtbank niet toe aan de vraag of een dergelijk gevaar concreet voor de opgeëiste persoon geldt. De rechtbank verwerpt het verweer. 7Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 8Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 47, 140 en 420bis Wetboek van Strafrecht, de artikelen 68 en 69 AWR en de artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW. 9Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional court of Toruń (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. P. van Kesteren, voorzitter, mrs. J.A.A.G. de Vries en J. van Zijl, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 14 december 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. ECLI:NL:RBAMS:2018:7507