← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:8125

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/247083-22 RK nummer: 22/4440 Datum uitspraak: 14 december 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 6 oktober 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 19 september 2022 door de Rechtbank Randers (Denemarken) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren op [geboortedag] 1957 te [geboorteplaats] ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres], [plaats] gedetineerd in de [detentieadres] hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 30 november 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. G.P. Sholeh. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.P. Hilhorst, advocaat te Utrecht. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een beschikking tot voorlopige hechtenis bij verstek van 19 september 2022 van de rechtbank Randers (Denemarken). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Deens recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in onderdeel

  1. e)van het EAB. 4Genoegzaamheid van de stukken Standpunt verdediging Het EAB is niet genoegzaam omdat de rol van de opgeëiste persoon bij de feiten onvoldoende is omschreven en de periode waarin de strafbare feiten zouden hebben plaatsgevonden te ruim is. Primair dient de overlevering te worden geweigerd en subsidiair dient de behandeling van de zaak te worden aangehouden om nadere informatie bij de Deense autoriteiten in te winnen. Standpunt van de officier van justitie In de feitsomschrijving van het EAB staat de vereiste informatie vermeld zodat het de opgeëiste persoon duidelijk is welke strafbare feiten hem worden verweten. De overlevering kan dan ook worden toegestaan. Oordeel van de rechtbank Het EAB dient gegevens te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Zo dient het EAB een beschrijving van de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd te bevatten, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen. Uit het EAB en het A-formulier blijkt dat de opgeëiste persoon als dader ervan wordt verdacht dat hij in de periode van 8 maart 2022 tot en met 24 juni 2022 met behulp van personenauto’s in totaal een hoeveelheid van 89,5 kg cocaïne en/of heroïne en 0,5 kg versnijdingsmiddel heeft gesmokkeld vanuit het buitenland naar bestemmingen in Denemarken. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, met de officier van justitie van oordeel dat het EAB een genoegzame omschrijving van de strafbare feiten bevat, alsmede van de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij deze feiten. Het is voor de opgeëiste persoon voldoende duidelijk voor welke strafbare feiten zijn overlevering wordt verzocht. De omschrijving van de feiten is ook zodanig dat het voor de rechtbank mogelijk is te onderzoeken of aan alle voorwaarden voor de overlevering is voldaan en de naleving van het specialiteitsbeginsel kan worden gewaarborgd. Eventuele bewijsverweren komen in geval van overlevering eerst aan de orde in de Deense strafprocedure. Bovendien is sprake van een strafrechtelijk onderzoek dat kennelijk nog niet is afgerond. De omschrijving voldoet aan de eisen gesteld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder e van de OLW en is daarmee genoegzaam. De rechtbank verwerpt het door de verdediging gevoerde verweer en ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden. 5Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, aangezien de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder de nummers 1 en 5, te weten: 1. Deelneming aan een criminele organisatie 5. Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Denemarken een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. 6De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan. The Director of Public Prosecutions te Kopenhagen heeft op 20 oktober 2022 de volgende garantie gegeven: “(…) By European arrest warrant issued on 19 September 2022, the Danish authorities made a request for extradition of [opgeëiste persoon], a Dutch national born on [geboortedag] 1957, for the purpose of prosecution in Denmark. (…) The Danish Director of Public Prosecutions guarantees, in compliance with art. 5 par. 3 of the Council Framework Decision on European Arrest Warrant and the surrender procedures between Member States (2002/584/ JHA) and request of the Dutch judicial authorities, that [opgeëiste persoon], when surrendered to the Danish authorities, would be returned to the Netherlands to serve his sentence there, providing that following his surrender a prison sentence or other measure depriving him of his liberty would be imposed upon him and he would wish so. (…)” Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende. 7Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 8Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW. 9Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Rechtbank Randers (Denemarken) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
  2. e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. P. van Kesteren, voorzitter, mrs. J.A.A.G. de Vries en J. van Zijl, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 14 december 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.