← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:8161

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751777-21 RK nummer: 22/1174 Datum uitspraak: 28 december 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 3 maart 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 15 juli 2021 door the District Court in Bydgoszcz (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1992, verblijfadres: [adres], hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 14 december 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Ebbink, advocaat te Haarlem en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft vastgesteld dat in deze zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank ex artikel 22, eerste en derde lid, OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, reeds is verstreken. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor overleveringsdetentie. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een judgment van the District Court in Bydgoszcz (Polen) van 16 januari 2020 (referentienummer: III K 214/19). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel

  1. e)van het EAB. 3.1. Artikel 12 OLW: aanhoudingsverzoek In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen op de zitting van 8 januari 2020 die tot de beslissing heeft geleid met referentienummer III K 214/19. Standpunt van de raadsman De behandeling van de zaak moet worden aangehouden, gelet op de informatie die de Poolse autoriteiten hebben verstrekt op 14 december 2022. Hierin staat vermeld dat het hoger beroep dat is ingesteld door de opgeëiste persoon niet-ontvankelijk is verklaard, omdat het niet is ondertekend door een advocaat. De raadsman heeft verzocht om aan de Poolse autoriteiten te vragen of het Poolse recht toestaat om een appèl af te wijzen op grond van deze reden. De opgeëiste persoon heeft zich niet kunnen verdedigen tegen de beslissing om het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, want hij is niet opgeroepen voor deze zitting. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich verzet tegen aanhouding om vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten. Het door de opgeëiste persoon ingestelde appèl is niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet is ondertekend door een advocaat. Tegen deze beslissing heeft de opgeëiste persoon ook hoger beroep ingesteld, dat heeft geleid tot een beslissing waarbij de niet-ontvankelijkheid in stand is gebleven. Tevens is de beslistermijn verstreken, zodat slechts vragen kunnen worden gesteld wanneer het risico bestaat dat de opgeëiste persoon na overlevering een reëel gevaar loopt dat zijn door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde grondrechten zullen worden geschonden. Het niet-ontvankelijk verklaren van een hoger beroep omdat het niet op de juiste wijze is ingesteld, brengt geen schending van mensenrechten met zich mee. Oordeel van de rechtbank Als de strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 van de OLW, voor zover bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld. In de aanvullende informatie van 14 december 2022 staat vermeld dat de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld, dat niet-ontvankelijk is verklaard, omdat het niet is getekend door een advocaat of juridisch adviseur. De opgeëiste persoon heeft tegen deze beslissing hoger beroep in gesteld, maar de Court of Appeal in Gdańsk (Polen) heeft de eerdere beslissing tot niet-ontvankelijkheid in stand gelaten. De rechtbank stelt vast dat de zaak niet in feite en in rechte ten gronde is behandeld in hoger beroep, zodat alleen de zitting in eerste aanleg van 8 januari 2020 met referentienummer III K 214/19 onder het bereik valt van artikel 12 OLW. Uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon ter zitting aanwezig was, zodat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. De rechtbank ziet geen reden om de zaak aan te houden om nadere vragen te stellen over de procedure. 4Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: oplichting 5Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 6Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 7Toepasselijke wetsbepalingen Artikel 326 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 11 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Bydgoszcz (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel
  2. e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. M.M.L.A.T. Doll, voorzitter, mrs. J.G. Vegter en H.G. van der Wilt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V.D. Reinders, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 28 december 2022. De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 augustus 2017 in de zaak Tupikas, ECLI:EU:C:2017:628. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.