← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:8217

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/242370-22 RK nummer: 22/4283 Datum uitspraak: 10 november 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 september 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 12 mei 2020 door the Regional Court in Poznań (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag] 1994, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de [detentieplaats] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft op de openbare zitting van 27 oktober 2022 de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 2Procesgang en ontvankelijkheid van de officier van justitie Op 24 mei 2022 heeft de officier van justitie een vordering (met parketnummer 13/104200-22) ingediend tot het in behandeling nemen van het EAB van 12 mei 2020 van the Regional Court in Poznań (hierna: het EAB). Op 24 mei 2022 is de opgeëiste persoon aangehouden en in verzekering gesteld op grond van dat EAB. De tenuitvoerlegging van het bevel tot inverzekeringstelling is opgeschort ten behoeve van de tenuitvoerlegging van detentie uit anderen hoofde. Op 9 juli 2022 is de opgeëiste persoon in vrijheid gesteld. Zitting 20 juli 2022 Bovengenoemde vordering van 24 mei 2022 (hierna vordering I) is aan de orde geweest op de zitting van deze rechtbank van 20 juli

  1. De opgeëiste persoon was niet ter zitting aanwezig en zijn toenmalige raadsman kon voorafgaand aan de zitting geen contact met hem krijgen. De rechtbank heeft in haar proces-verbaal van de zitting van 20 juli 2022 als volgt overwogen: ‘Na hervatting van het onderzoek deelt de oudste rechter mee dat de rechtbank heeft geconstateerd dat de opgeëiste persoon niet in kennis is gesteld van de zitting van vandaag. De rechtbank volstaat met de conclusie dat de opgeëiste persoon niet op een rechtsgeldige wijze in kennis is gesteld van de zitting.’ Op 23 september 2022 is de opgeëiste persoon opnieuw aangehouden en in verzekering gesteld op grond van hetzelfde EAB. De officier van justitie heeft vervolgens een nieuwe vordering ingediend tot het in behandeling nemen van voornoemd EAB. Die vordering dateert van 23 september 2022 (met parketnummer 13/242370-22) (hierna vordering II). Zitting 27 oktober 2022 Op de openbare zitting van deze rechtbank van 27 oktober 2022 zijn beide vorderingen aan de orde geweest. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S. Meijer, advocaat te Beverwijk en door een tolk in de Poolse taal. De officier van justitie heeft ter zitting medegedeeld dat vordering I al op 27 september 2022 is ingetrokken. Ter onderbouwing heeft hij de rechtbank een document toegestuurd genaamd ‘intrekking vordering ex art. 23 Overleveringswet’. De rechtbank heeft op de zitting van 27 oktober 2022 de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen op grond van parketnummer 13/242370-
  2. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en bepaald dat uitspraak zou worden gedaan op 10 november
  3. Uitspraak 10 november 2022 op vordering I In haar uitspraak van 10 november 2022 in de zaak met parketnummer 13/104200-22 (vordering I) overweegt de rechtbank dat de intrekking van vordering I niet tot gevolg heeft dat de rechtbank geen inhoudelijke beslissing neemt op die vordering. Deze intrekking vond immers plaats nadat de rechtbank de vordering al op een openbare zitting in behandeling had genomen. De rechtbank staat in haar uitspraak op vordering I de overlevering van de opgeëiste persoon toe. Conclusie Omdat de rechtbank bij uitspraak van 10 november 2022 inhoudelijk heeft geoordeeld over vordering I – die ziet op hetzelfde EAB dat aan vordering II, de onderhavige vordering, ten grondslag ligt – verklaart de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk in deze laatste vordering (vordering II). Dit heeft tot gevolg dat de overleveringsdetentie moet worden opgeheven. 3Beslissing VERKLAART de officier van justitie NIET-ONTVANKELIJK in de vordering van 23 september 2022 (parketnummer 13/242370-22) tot het in behandeling nemen van het EAB. HEFT OP de overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon]. Aldus gedaan door mr. M. van Mourik, voorzitter, mrs. R. Godthelp en A.R.P.J. Davids, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 10 november
  4. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Anders dan in reguliere strafzaken is in overleveringszaken geen sprake van een einduitspraak in geval van een niet rechtsgeldige betekening van de oproep. Artikel 30 OLW verklaart art. 278 Sv niet van overeenkomstige toepassing.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.