RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummers: 13/995025-20 + 13/995025-20 (A) Datum uitspraak: 8 juli 2022 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] . 1Inleiding Op 22 oktober 2018 heeft de ING-bank aangifte gedaan van witwassen. De ING had geconstateerd dat er op vijf rekeningen in een korte periode veel contante stortingen werden verricht, waarna er betalingen naar buitenlandse bankrekeningen werden gedaan. Naar aanleiding van deze aangifte is de politie een onderzoek gestart. Hieruit is naar voren gekomen dat de bedrijven op wier rekeningen geld werd gestort, werden gebruikt voor transporten van verdovende middelen. De politie heeft bij haar onderzoek verdachte en zijn medeverdachten in beeld gekregen. Zij heeft gesprekken afgeluisterd, doorzoekingen verricht en onderzoek gedaan naar de diverse bedrijven. Het Openbaar Ministerie beschuldigt verdachte en zijn medeverdachten ervan dat zij een criminele (drugs)organisatie vormden. Verdachte wordt verder verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen, valsheid in geschrift en het overtreden van de Wet wapens en munitie. 2Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 14 september 2021 (pro forma), 26, 27 en 28 oktober 2021, 9 november 2021 (inhoudelijke behandeling), 1 februari 2022 (regie), 1 april 2022 (regie) 11 (vervolg inhoudelijke behandeling), 12 (requisitoir en pleidooi) en 13 mei 2022 (re- en dupliek en laatste woord van de verdachte) en 8 juli 2022 (sluiting onderzoek). De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Het in de tweede zaak (13/995025-20 (A)) ten laste gelegde (valsheid in geschrift) wordt hierna aangeduid als feit 4. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. A.S. Bijleveld en M.P. Kok (hierna: de officier van justitie), en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J. Visscher, advocaat te Amersfoort, naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft de zaak tegen de verdachte gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en (deels) [medeverdachte 5] . 3Tenlastelegging Aan verdachte is – na wijziging op de zitting van 27 oktober 2021 – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan kort gezegd: Deelneming aan een criminele organisatie in de periode van 1 juni 2018 tot 29 september 2020 met [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 7] die tot oogmerk het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid en artikel 11, vierde lid, van de Opiumwet, gewoontewitwassen en valsheid in geschrift heeft (zaaksdossier 11); Medeplegen van (gewoonte- of schuld)witwassen; Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen door het voorhanden hebben van twee gaspistolen (zaaksdossier 14). Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (zaaksdossier 23). De (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en geldt als hier ingevoegd. 4Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van al de ten laste gelegde feiten. 5Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft ten aanzien van de beschuldiging dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele (drugs)organisatie bepleit verdachte vrij te spreken en daartoe samengevat het volgende aangevoerd. Er is onvoldoende overtuigend bewijs voorhanden dat verdachte daadwerkelijk onderdeel heeft uitgemaakt van een crimineel samenwerkingsverband. Subsidiair meent de verdediging dat de ten laste gelegde periode in ieder geval aanzienlijk dient te worden beperkt. Vaststaat dat verdachte vanaf eind juni 2019 een aantal maanden in (zeer) beperkte mate klusjes heeft verricht die in het bijzonder bestonden uit enkele taxiritjes. Eerst in 2020 nemen de frequentie en soorten van werkzaamheden toe. Een periode met een begindatum gelegen eind 2019 / begin 2020 ligt gezien de inhoud van het dossier veel meer voor de hand. Ten aanzien van het verwijt dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen, heeft de raadsman het volgende aangevoerd. Verdachte heeft erkend dat hij in opdracht van [medeverdachte 5] diverse geldbedragen van A naar B heeft gebracht. Hij heeft echter de vermeende bedragen nooit gezien of nageteld. Het is daarom de vraag of de enkele interpretatie voldoende is om concrete bedragen bewezen te verklaren Er is onvoldoende bewijs voor het ontvangen van geldbedragen van ten minste € 7.000,-. Ook hiervan geldt dat in redelijkheid bewezenverklaring van een concreet geldbedrag niet juist is. Er is onvoldoende bewijs voor het door verdachte in opdracht van [medeverdachte 5] storten van contanten op zijn eigen rekening dan wel rekeningen van derden. Van het beheren en bewaren van contante geldbedragen is geen sprake. Beheer en bewaring impliceren meer dan het alleen in bezit hebben voor vervoer en overdracht. Beheer en bewaring veronderstellen een zekere beschikkingsmacht en handelingsvrijheid waarvan op geen enkele wijze sprake is geweest. Voor verdachte was slechts sprake van een opdracht om de gevulde enveloppen van A naar B te brengen. Ten slotte meent de verdediging dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te komen tot een bewezenverklaring van opzetwitwassen en gewoontewitwassen. De situatie waarbij verdachte onvoldoende zorgvuldig is geweest en heeft nagelaten onderzoek te doen naar de herkomst van de ontvangen bedragen, rechtvaardigt hooguit de conclusie dat sprake is van schuldwitwassen. De raadsman heeft ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde, het voorhanden hebben van twee gaspistolen, samengevat het volgende betoogd. Wat betreft het eerste wapen (SIN [nummer] ) doet zich iets buitengewoon opmerkelijks voor. Er heeft zowel op 30 september 2020 als op 18 januari 2021 onderzoek naar een Colt plaatsgevonden. Hoewel de SIN-nummers in beide processen-verbaal overeenkomen, lijken de foto’s erop te wijzen dat sprake is van twee verschillende wapens. Er is overduidelijk sprake van soortgelijke pistolen, maar met verschillende kenmerken. Het voorgaande roept ernstige twijfel op ten aanzien van de chain of custody. De verdediging kan geen andere conclusie trekken dan dat het gaat om twee verschillende wapens die kennelijk onder hetzelfde SIN-nummer zijn onderzocht. Nu niet kan worden vastgesteld welk wapen bij verdachte is aangetroffen en of dit wapen kwalificeert als een compleet gaspistool dan wel of sprake is van een of meer onderdelen/hulpstukken van wezenlijke aard kan op basis van de huidige tenlastelegging en de onderzoeksbevindingen geen bewezenverklaring volgen. De raadsman heeft met betrekking tot de ten laste gelegde valsheid in geschrift – het aanpassen van het bankafschrift, de overboeking en het ondertekenen van een koopovereenkomst –aangevoerd dat dit door verdachte is bekend en dat wat betreft de aanpassingen van het afschrift en de overboeking de verdediging zich refereert aan het oordeel van de rechtbank. Wat betreft de ondertekening van de koopovereenkomst ligt dit volgens de raadsman genuanceerder. Verdachte deed dit in opdracht van [medeverdachte 5] . Laatstgenoemde heeft verklaard dat dit op verzoek van [persoon 1] en met medeweten van [persoon 2] was. Nu dit niet op voorhand ongeloofwaardig is, en in zoverre niet kan worden uitgesloten, zou op dit punt een vrijspraak dienen te volgen. 6Het oordeel van de rechtbank Feit 2. Medeplegen van (gewoonte- of schuld)witwassen Verdachte wordt er kort gezegd van beschuldigd dat hij in de periode van 1 juni 2019 tot en met 29 september 2020, al dan niet tezamen in nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, contante geldbedragen heeft overgedragen terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geld van misdrijf afkomstig was en zich zo aan (medeplegen van) (gewoonte- of schuld)witwassen heeft schuldig gemaakt. Verdachte heeft bekend dat hij de in de tenlastelegging genoemde contante geldbedragen al dan niet met behulp van een token heeft opgehaald en overgedragen. Hij heeft ook verklaard dat hij dat deed in opdracht van [medeverdachte 5] . Uit de bewijsmiddelen 1-8 komt naar voren dat verdachte wist dat het om grote geldbedragen ging. Toen verdachte naar België ging, kreeg hij de opdracht van [medeverdachte 5] om zijn berichten te wissen. Toen hij eenmaal in België was, had [medeverdachte 5] het over een token en dat bugatti het codewoord was. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de feiten en omstandigheden, onder meer het overdragen van grote contante bedragen op straat, het niet anders kan dan dat de geldbedragen van misdrijf afkomstig waren en dat verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit zo was. De rechtbank is van oordeel dat de hoogte van de geldbedragen in de enveloppen (€ 17.000,-, € 75.000,- en € 320.000,-) voldoende vast staat op basis van de berichten tussen [medeverdachte 5] en verdachte. Vast staat verder dat verdachte vergoedingen van [medeverdachte 5] voor zijn werkzaamheden heeft ontvangen en dat deze vergoedingen afkomstig waren uit de enveloppen met de grote geldbedragen. Op grond van hetgeen hiervoor al is overwogen over de geldbedragen in de enveloppen heeft verdachte zich ook ten aanzien van de bedragen die hij heeft ontvangen als vergoeding voor zijn werkzaamheden schuldig gemaakt aan opzetwitwassen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte de contante geldbedragen ook heeft beheerd en bewaard door deze geldbedragen bij zich te dragen en vervolgens over te dragen aan derden. Vrijspraak storten van contante geldbedragen De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onderdeel van witwassen dat ziet op het storten van contante geldbedragen op zijn eigen bankrekening of de bankrekeningen van derden, omdat op de afschriften van de bankrekeningen van verdachte (of zijn broer) niet te zien is dat daarop contante gelden zijn gestort. Op de bankrekeningen zijn slechts girale overschrijvingen te zien. Gewoontewitwassen Gelet op de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, alsmede het aantal gedragingen en de lange periode waarbinnen verdachte deze heeft verricht, kan ook worden bewezen dat verdachte van witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Feit 3. Voorhanden hebben van twee gaspistolen De rechtbank stelt op grond van bewijsmiddelen 9-13 vast dat op 29 september 2020 bij de doorzoeking van de woning van de verdachte aan [adres 2] in de schuur die bij de woning hoort twee gaspistolen zijn aangetroffen. Uit onderzoek is gebleken dat het ene gaspistool wel en het andere bij het uitvoeren van proefschoten niet naar behoren functioneerde doordat de punt van de slagpin was afgebroken. Dat laatste neemt niet weg dat wel kan worden bewezen dat verdachte een gaspistool, zijnde een vuurwapen van categorie III onder 1o van de Wet wapens en munitie (een vuurwapen in de vorm van een pistool, bestemd voor het afschieten van munitie met weerloosmakende of traanverwekkende stof) voorhanden heeft gehad. De aard van het wapen is beslissend. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel – mede gelet op de e-mail van de officier van justitie van 21 oktober 2021 – dat het gaspistool dat defect was één geheel vormde. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de raadsman dat het erop lijkt dat twee verschillende wapens hetzelfde SIN-nummer hebben gekregen, er daarom ernstig getwijfeld kan worden aan de chain of custody, niet kan worden vastgesteld welk wapen bij verdachte in beslag is genomen en aldus ten aanzien van dat wapen geen bewezenverklaring kan volgen. De officier van justitie heeft bij gelegenheid van repliek, met verwijzing naar een e-mail van de politie, uitgelegd hoe de verschillende foto’s van het wapen zijn te verklaren; de hoek, belichting en kwaliteit van beide foto’s zijn anders. Zij heeft ook gewezen op de overeenkomsten: op beide foto’s van het wapen zijn dezelfde kleine beschadigingen zichtbaar en is ook hetzelfde SIN-nummer zichtbaar. De rechtbank overweegt dat uit het dossier duidelijk blijkt dat de politie eerst een beschrijving heeft gegeven van het in beslag genomen gaspistool in verband met de voorgeleiding van verdachte en dat er nadien een fysiek onderzoek zou worden uitgevoerd (zie het proces-verbaal van 30 september 2020) en dat op 18 januari 2021 het (fysieke) onderzoek naar het wapen heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft verklaard dat hij die wapens al heel lang in zijn bezit had en dat hij ze was vergeten. De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie allereerst is vereist dat de verdachte een wapen of munitie bewust aanwezig heeft gehad. Die bewustheid hoeft zich niet uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Verder is voor de bewezenverklaring van dat voorhanden hebben nodig dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken. De rechtbank is van oordeel dat nu de wapens zijn aangetroffen in de schuur van de woning van verdachte hij de beschikkingsmacht over de wapens had. Verdachte heeft bij zijn eerste verhoor uitgebreid over de wapens verklaard. Het is niet aannemelijk dat verdachte in het geheel geen herinnering meer aan de wapens had, zodat hij zich bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van de wapens. Aldus is bewezen dat verdachte beide gaspistolen voorhanden heeft gehad. Feit 4. Medeplegen van valsheid in geschrift De rechtbank is op grond van het proces-verbaal van bevindingen betreffende “de vervalsingen die [verdachte] uitvoert in opdracht van [medeverdachte 5] ” en de bekennende verklaring van verdachte van oordeel dat bewezen is dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 5] vervalsen van een bankafschrift/betaalbevestiging van de Rabobank en een afschrift/bevestiging van een internationale overboeking en valselijk opmaken van een koopovereenkomst tussen [naam bedrijf BV 1] en [naam bedrijf BV 2] De rechtbank gaat voorbij aan het verweer dat het zetten van de handtekening op verzoek van [persoon 1] en met medeweten van [persoon 2] was en daarom vrijspraak van dit onderdeel zou moeten volgen. Wie onder een geschrift de handtekening van een ander plaatst, ongeacht of dat in opdracht en met goedvinden van deze gebeurt, maakt het vals. Uit het desbetreffende proces-verbaal blijkt dat [medeverdachte 5] verdachte telkens een afschrift of bevestiging stuurde met het verzoek deze aan te passen. Verdachte ging in samenspraak met [medeverdachte 5] ermee aan de slag. Hij deed niet alleen wat hem gevraagd werd, hij dacht ook actief mee en kwam met suggesties. Dat gaat ook op voor het vervalsen van een handtekening op een koopovereenkomst door verdachte in overleg en met instructie van [medeverdachte 5] . De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 5] die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering. Zij acht daarmee ook het ten laste gelegde medeplegen bewezen (bewijsmiddelen 14-16). Feit 1. Deelneming aan een criminele organisatie Onder 1 is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie 1 juni 2018 tot 29 september 2020. De rechtbank stelt voorop dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven) slechts dan sprake kan zijn, indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. De rechtbank is van oordeel dat verdachte nauw en bewust met [medeverdachte 5] heeft samengewerkt. [medeverdachte 5] vormde in de periode tot 1 maart 2019 een criminele organisatie met onder anderen zijn broer [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] . Na die tijd is [medeverdachte 5] samen met [medeverdachte 1] in georganiseerd verband doorgegaan met het plegen van misdrijven. Verdachte is op een gegeven ook gaan deelnemen aan die organisatie en heeft zich in dat kader schuldig gemaakt aan witwassen en valsheid in geschrift. Uit het dossier volgt dat [medeverdachte 5] opdrachten geeft aan verdachte. Op 19 juli 2020 geeft [medeverdachte 5] via Threema opdrachten aan verdachte om drie telefoons te kopen en te voorzien van Threema. Verdachte zegt dat hij naar de Mediamarkt gaat en stuurt daarna foto's van verpakkingen van Huawei Y6 telefoons aan [medeverdachte 5] . Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte werd onder andere een aankoopbon van de Mediamarkt aangetroffen van drie Huawei Y6 telefoons. Op de bonnen staan IMEI-nummers vermeld, waarvan één overeenkomt met een onder [medeverdachte 1] in beslag genomen telefoon. Nadat verdachte de telefoons heeft aangeschaft, test hij de werking van Threema op twee telefoons, die hij vervolgens in opdracht van [medeverdachte 5] aan derden moet geven. Kort daarna neemt [medeverdachte 1] (bijnaam: [medeverdachte 1] ) met een van de geteste telefoons via Threema contact op met [medeverdachte 5] . Eveneens kort daarna neemt ene “ [medeverdachte 7] ” ( [medeverdachte 7] ) met de andere geteste telefoon via Threema contact op met [medeverdachte 5] . [medeverdachte 5] communiceert vanaf 19 juli 2020 via Threema ook met [medeverdachte 4] . Op 29 september 2020 is onder [medeverdachte 4] een Huawei Y6 telefoon in beslag genomen. In die periode bespreken zij onder meer het opzetten van een onderneming met katvangers. In diezelfde periode wisselt [medeverdachte 5] ook berichten met [medeverdachte 7] . Hun Threema-gesprekken gaan over het aansturen van personen, over geld en klokjes waarbij zij het hebben over het aansturen van [persoon 4] , [medeverdachte 1] en verdachte. [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] hebben het in hun Threema-gesprekken over stukken die [medeverdachte 1] van de bank heeft ontvangen. [medeverdachte 1] zegt dat hij een ‘stash’ kan bouwen in de kruipruimte van een huisje op een vakantiepark waar [medeverdachte 5] mensen naartoe kan sturen. Uit de berichten blijkt ook dat dat [medeverdachte 1] in opdracht van [medeverdachte 5] 60k moet wegbrengen.Uit berichten tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] blijkt dat [medeverdachte 5] op 26 juni 2020 aan [medeverdachte 1] vraagt of hij een token kan ophalen, waarop [medeverdachte 1] zegt dat het goed is. [medeverdachte 5] zegt vervolgens dat [medeverdachte 1] , Taxi ( [verdachte] ) moet toevoegen. Hij zal het token komen brengen. Op 28 juni 20202 vraagt [medeverdachte 1] of het veel is, waarop [medeverdachte 5] zegt 92.5. Uit de berichtenwisseling tussen [medeverdachte 1] en verdachte kan worden afgeleid dat [medeverdachte 1] verdachte heeft ontmoet voor het token. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de verdachte heeft behoord tot een op het plegen van de in de tenlastelegging genoemde misdrijven gericht samenwerkingsverband en dat hij daarnaast ook een aandeel heeft gehad in gedragingen die mede strekten tot dan wel verband hielden met de verwezenlijking van het binnen die organisatie bestaande oogmerk. De rechtbank is daarom van oordeel dat is bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. Zij komt daarmee tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Wel zal de rechtbank, gelet op de verklaring van verdachte, de bewezenverklaarde periode op 1 oktober 2019 laten aanvangen en verdachte van de periode daarvoor vrijspreken. 7Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in bijlage II die aan dit vonnis is gehecht bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het hem onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde met dien verstande dat 1. hij in de periode van 1 oktober 2019 tot 29 september 2020 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie bestond uit verdachte, [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 7] en een of meer andere personen en die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in: artikel 10, vierde en vijfde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet; artikel 10a Opiumwet, te weten voorbereidingshandelingen om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen; artikel 11, vierde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet; artikel 420 bis/ter/quater van het Wetboek van Strafrecht, te weten gewoontewitwassen, dan wel opzettelijk witwassen, dan wel schuldwitwassen van voorwerpen, waaronder geldbedragen en voertuigen; artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, te weten valsheid in geschrift, waaronder bankafschriften en contracten 2. hij in de periode van 1 oktober 2019 tot en met 29 september 2020 te Nieuw-Vennep en/of Bergen op Zoom en/of Den Haag, in elk geval Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij en/of zijn mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.