RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 20/6338 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 augustus 2022 in de zaak tussen [eiser] , te Gouda, eiser ([gem.eiser]), en de invorderingsambtenaar van de gemeente Amsterdam. Procesverloop Met vier besluiten, elk gedateerd 29 september 2020 (de primaire besluiten), heeft de invorderingsambtenaar wegens het onbetaald blijven van vier naheffingsaanslagen parkeerbelasting vier maal € 7,- aan aanmaningskosten aan eiser in rekening gebracht. Met een uitspraak op bezwaar van 25 november 2020 (de bestreden uitspraak) heeft de invorderingsambtenaar het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. De invorderingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is behandeld op de zitting van 7 juli
- Eiser is niet verschenen. De invorderingsambtenaar is verschenen in de persoon van mr. H. Oderkerk. Overwegingen
- Aan eiser zijn met besluiten van 30 augustus 2019, 31 augustus 2019, 3 september 2019 en 5 september 2019 vier naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd, omdat zijn auto geparkeerd stond zonder dat hij daarvoor parkeerbelasting heeft betaald.
- Met de primaire besluiten zijn vier afzonderlijke aanmaningen verstuurd waarbij aan eiser vier maal € 7,- aan aanmaningskosten in rekening is gebracht omdat eiser de naheffingsaanslagen parkeerbelasting niet tijdig betaald zou hebben.
- Eiser heeft tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt door hiertegen één bezwaarschrift in te dienen. Met de bestreden uitspraak is het bezwaar van eiser gegrond verklaard en heeft de invorderingsambtenaar € 28,- aan aanmaningskosten vernietigd. Daarbij heeft de invorderingsambtenaar aan eiser proceskosten vergoed tot een bedrag van € 261,-, waarbij is gerekend met een factor
- Standpunt eiser
- Eiser voert aan dat er sprake is van vier samenhangende zaken waardoor op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) gerekend moet worden met een factor 1,5 in plaats van
- Juridisch kader
- Op grond van artikel 3, eerste lid, van het Bpb worden samenhangende zaken beschouwd als een zaak.
- In artikel 3, tweede lid, van het Bpb is opgenomen dat er sprake is van samenhangende zaken indien het gaat om door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.
- Uit onderdeel C2 van de bijlage bij het Bpb volgt dat voor vier of meer samenhangende zaken moet worden gerekend met een factor 1,
- Het oordeel van de rechtbank
- Naar het oordeel van de rechtbank heeft de invorderingsambtenaar het bezwaarschrift terecht niet aangemerkt als samenhangende bezwaren in vier nagenoeg identieke zaken. Artikel 3, eerste lid, van het Bpb is niet van toepassing op deze situatie, omdat dit artikel ziet op de situatie waarin vier afzonderlijke bezwaarschriften zijn ingediend die al dan niet gelijkluidend zijn. In dit geval is echter één bezwaarschrift ingediend. Voornoemde bijlage inzake samenhangende zaken is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet van toepassing. De invorderingsambtenaar heeft dus terecht geen factor 1,5 voor samenhangende zaken toegepast. Conclusie
- Het beroep is ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Lauwaars, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 augustus
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.