beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd zaaknummer / rekestnummer: C/13/716340 / FA RK 22-2328 (LB TM) Beschikking van 14 oktober 2022 betreffende vaststelling van alimentatie in de zaak van: [de vrouw] , wonende te [woonplaats 1] (Suriname), hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. A. Tariki te Arnhem, tegen [de man] , wonende te [woonplaats 2] , hierna te noemen de man, advocaat mr. A.J. van Ommeren te Amsterdam. 1De procedure 1.
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoek van de vrouw, ingekomen op 13 april 2022; - het verweerschrift van de man, ingekomen op 27 mei 2022; - producties 6 en 7 van de vrouw, ingekomen op 25 juli 2022; - productie 8, 9 en 10 van de vrouw, ingekomen op 19 september
- 1.
- De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 september
- Gehoord zijn: de vrouw vanuit Suriname via beeldbellen, haar advocaat en de man en zijn advocaat. 2De feiten 2.
- Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Uit die relatie is geboren : [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2016; 2.
- De minderjarige woont vanaf zijn geboorte met de vrouw in Suriname. De man woont om en om in Nederland en Suriname. Hij verblijft gemiddeld 3 á 4 maanden per jaar in Nederland voor werk en verblijft dan de rest van het jaar in Suriname. 3Het verzoek en het verweer 3.
- Het verzoek 3.1.
- De vrouw verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man met ingang van 1 mei 2021 met een bedrag van € 250,- per maand zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bijdrage, met ingang van een in goede justitie te bepalen datum. 3.
- Het verweer De man verweert zich tegen het verzoek van de vrouw. 4De beoordeling 4.
- Bevoegdheid en toepasselijk recht 4.1.
- De rechtbank is op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening bevoegd van het geding kennis te nemen nu de man in Nederland zijn hoofdverblijfplaats heeft. 4.1.
- Op grond van artikel 4 lid 3 van het Haagse Protocol van 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen is het Nederlandse recht van toepassing. 4.
- Inhoudelijke beoordeling 4.2.
- De behoefte Partijen zijn in 2021 uit elkaar gegaan en daarom zal worden uitgegaan van de financiële situatie van partijen in dit jaar om te bepalen wat de behoefte is. Ter onderbouwing van de behoefte van [minderjarige] is van de kant van de vrouw een behoeftelijst overgelegd van de boodschappen en overige kosten die zij maandelijks voor hem maakt. Hieruit zou volgen dat zijn behoefte € 295,- maand bedraagt, na omzetting van Surinaamse Dollars (SRD) naar euro’s. Tevens geeft de vrouw aan dat deze behoefte in lijn is met de bijdrage die de man haar betaalde toen zij nog samen waren. De man voert verweer tegen de gestelde hoogte van de behoefte. De man geeft aan dat, gezien de hoogte van het inkomen van de vrouw, de door haar verzocht bijdrage viermaal haar inkomen is, wat niet kan kloppen. De man geeft daarnaast aan dat zijn oude bijdrage aan de vrouw van € 240,- per maand grotendeels werd verstrekt voor de kosten van de vaste lasten van zijn huis, waarin de vrouw woonde en voor haar eigen levensonderhoud. De rechtbank overweegt als volgt. In het licht van het feit dat de vrouw zelf een inkomen heeft van omgerekend € 68,62 per maand, komt de door de vrouw gestelde behoefte van [minderjarige] de rechtbank zeer onwaarschijnlijk voor. Mede in het licht van het gemotiveerde verweer van de man, over onder meer de gemiddelde inkomens in Suriname, is het voor de rechtbank ondenkbaar dat de behoefte van [minderjarige] op een dergelijk hoog niveau zou liggen, zelfs als de man in de afgelopen jaren het inkomen van de vrouw heeft verhoogd met bijdrages vanuit Nederland. Deze bijdrages hebben namelijk mede gezien op de vaste lasten van de woning in Suriname en het levensonderhoud van de vrouw zelf. Enkel een beperkt deel van de bijdrage is bedoeld geweest om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal de vrouw daarom niet volgen in de behoefte zoals die volgt uit de behoeftelijst. Bij gebreke van subsidiaire stellingen van de kant van de vrouw over de behoefte kan de rechtbank deze derhalve niet vaststellen en zou hieruit de conclusie kunnen volgen dat de rechtbank geen bijdrage kan vaststellen die in verhouding staat tot de behoefte. Nu de man echter ter zitting heeft aangeboden om het tot op heden voor [minderjarige] betaalde bedrag van € 100,- per maand te willen blijven betalen, zal de rechtbank dit bedrag als bijdrage bepalen. De rechtbank is van oordeel dat [minderjarige] hiermee niet tekort wordt gedaan. Als namelijk gekeken wordt naar het inkomen van de vrouw zoals hiervoor vernoemd, en het inkomen van de man zoals dat blijkt uit de stukken zoals door hem in het geding gebracht, zijnde in 2021 € 8.760,- aan winst uit onderneming en in 2020 € 20.541,- aan verzamelinkomen, zal de behoefte van [minderjarige] in 2021 en ook per heden niet boven deze bijdrage uitstijgen. 4.2.
- Gezien het debat van partijen, het gegeven dat de vrouw haar verzoek onvoldoende heeft onderbouwd, dat de man in verhouding tot de levensstandaard van [minderjarige] een ruime bijdrage betaalt en dit vrijwillig ook altijd heeft betaald ziet de rechtbank geen aanleiding om de bijdrage met terugwerkende kracht in te laten gaan. De rechtbank acht het redelijk dat de bijdrage per heden ingaat. 4.
- Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van partijen de eigen kosten draagt. 4.
- Daarom wordt als volgt beslist. 5De beslissing De rechtbank: 5.
- - bepaalt dat de man € 100,- per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige, met ingang van heden, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; 5.
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 5.
- wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Berkum, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. T.E. Meijer, griffier, op 14 oktober
- Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).Het beroep moet worden ingesteld:- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.