← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:8429

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751978-20 RK nummer: 20/5250 Datum uitspraak: 3 november 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 3 november 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 30 december 2019 door de Circuit Court in Sieradz – II Criminal Division (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1992, wonende op het adres: [adres opgeëiste persoon] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 oktober 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.B. Schmidt, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank ex artikel 22 OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, reeds is verstreken. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor gevangenhouding. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een enforceable judgement van de District Court in Zduńska Wola van 6 april 2017 (referentie II K 409/16). Verder maakt het EAB melding van een ruling van de District Court in Zduńska Wola van 22 februari 2019, waarbij de executie van de straf is bevolen. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 7 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel

  1. e)van het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De raadsman heeft aangevoerd dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat overlevering een schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zou inhouden. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij de zittingen en nergens blijkt uit dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de zittingen. Ook van een situatie als bedoeld in artikel 12, sub b tot en met d, OLW, is geen sprake. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheid zoals bedoeld in artikel 12, aanhef en onder a, OLW zich voordoet. De opgeëiste persoon heeft de dagvaarding voor de eerste zitting persoonlijk in ontvangst genomen, zodat vaststaat dat hij op de hoogte was van het proces. De omzettingsbeslissing van 2019 valt niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het EAB onder D) en de aanvullende informatie van 28 januari 2021 blijkt dat de opgeëiste persoon de oproep voor de zitting van 2 februari 2017 persoonlijk heeft opgehaald op 5 januari 2017. Met die oproep is de opgeëiste persoon bovendien in kennis gesteld dat er een beslissing kan worden genomen in zijn afwezigheid. De rechtbank is daarmee van oordeel dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. Met betrekking tot de ruling van de District Court in Zduńska Wola van 22 februari 2019 overweegt de rechtbank dat sprake is van een situatie zoals in de uitspraak Ardic van het Hof van Justitie van de Europese Unie , zodat die beslissing niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt. De rechtbank verwerpt het verweer. 4Strafbaarheid Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: Diefstal, meermalen gepleegd. 5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan ingevolge artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd indien deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet ingevolge artikel 6a, negende lid, van de OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten: 1. ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; 2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon aan beide vereisten voldoet en gelijkgesteld moet worden met een Nederlander. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst de raadsman naar de stukken die hij de dag voor de zitting heeft overgelegd aan de rechtbank. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overgelegde stukken buiten beschouwing gelaten moeten worden, nu deze niet tijdig zijn overgelegd. Voor zover de rechtbank de stukken niet buiten beschouwing laat, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat daarmee niet is aangetoond dat de opgeëiste persoon voldoet aan de eerste voorwaarde van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf. De rechtbank beslist als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank (sinds april 2021 bovendien wettelijk verankerd in artikel 6a, negende lid, OLW) dienen stukken ter onderbouwing van een beroep op gelijkstelling tijdig te worden overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat een termijn van 10 dagen voorafgaand aan de zitting redelijk is, zodat de stukken door de rechtbank en de officier van justitie kunnen worden bestudeerd en de officier van justitie desgewenst nog in de gelegenheid is vragen te stellen aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting dat de opgeëiste persoon al dan niet het recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, zoals bepaald in artikel 6a, negende lid, OLW. In deze oude zaak (de aanhouding van de opgeëiste persoon vond reeds in 2020 plaats) heeft de rechtbank de stukken ter onderbouwing van het gelijkstellingsverweer (en zonder nadere toelichting) pas in de middag voorafgaand aan de dag van de zitting (om 16:49 uur) per e-mail ontvangen. Gelet op het voorgaande zijn die stukken dus niet tijdig overgelegd. Om die reden zal de rechtbank de stukken buiten beschouwing laten, zodat de opgeëiste persoon niet heeft aangetoond dat aan de eerste voorwaarde is voldaan. De opgeëiste persoon komt dus niet in aanmerking voor gelijkstelling met een Nederlander. 6Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 310 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Circuit Court in Sieradz – II Criminal Division (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel
  2. e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter, mrs. M.C.M. Hamer en M. Snijders Blok-Nijensteen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Rus, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 3 november 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 Zie o.a. rechtbank Amsterdam 1 november 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:8945.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.