RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751299-20 RK nummer: 20/2350 Datum uitspraak: 27 december 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 6 mei 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 21 januari 2020 door de Circuit Court in Sieradz – II Criminal Divison (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1995, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres opgeëiste persoon] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 13 december
- Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is niet verschenen. Zijn raadsman, mr. M.I. Bloch, advocaat in Amsterdam, is wel verschenen, maar was niet gemachtigd om namens de opgeëiste persoon op te treden. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank ex artikel 22 OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor overleveringsdetentie. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt, in samenhang met de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 16 juli 2020, melding gemaakt van: een judgement van de District Court in Zduńska Wola van 20 maart 2018 (referentie: II K 42/17), in stand gehouden in hoger beroep bij arrest van de Circuit Court in Sieradz (referentie: II Ka 191/18); een judgement van de District Court in Oleśno van 27 oktober 2016 (referentie: II K 349/16). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van: 1 jaar en 6 maanden, opgelegd bij het arrest II Ka 191/18, waarvan nog 543 dagen resteren; 1 jaar voorwaardelijk, opgelegd bij vonnis II K 349/16, ten uitvoer gelegd bij de beslissing van 20 maart 2018 door de District Court in Zduńska Wola (referentie: II Ko 2453/17).Van deze straf resteren nog 363 dagen, door de opgeëiste persoon uit te zitten op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze uitspraken betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Ten aanzien van het vonnis met referentienummer II K 349/16 is de opgeëiste persoon een straf overeengekomen met de officier van justitie, zodat hij op de hoogte was van de procedure tegen hem. Ten aanzien van de uitspraken met referentienummers II K 42/17 (vonnis) en II Ka 191/18 (arrest) geldt dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg op drie zittingen is verschenen, samen met zijn ex officio raadsman. Op die manier is er een machtiging tot stand gekomen. De ex officio raadsman stelde vervolgens kort na de uitspraak hoger beroep in en heeft de opgeëiste persoon daadwerkelijk verdedigd in hoger beroep. Oordeel van de rechtbank Ten aanzien van vonnis II K 349/16 De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Verder is geen garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW verstrekt. Om die reden kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van deze bevoegdheid Daarbij is het volgende van belang. In de aanvullende informatie van 9 juni 2020 is vermeld dat de opgeëiste persoon in het vooronderzoek is verhoord en op de hoogte is gesteld van de feiten waarvan hij werd verdacht. Hij heeft toen een overeenkomst gesloten met de officier van justitie (een conviction without carrying out a trial). De opgeëiste persoon was niet aanwezig op de bekrachtigingszitting, maar de Poolse rechtbank heeft de overeenkomst tussen de officier van justitie en de opgeëiste persoon bevestigd; de door de District Court in Oleśno opgelegde straf komt dus overeen met de afgesproken straf. In de aanvullende informatie van 17 november 2022 is vermeld dat de opgeëiste persoon aan de Poolse autoriteiten een adres heeft opgegeven tijdens het vooronderzoek en dat de oproep voor de zitting bij de rechtbank naar dat adres is gestuurd. Verder is vermeld dat de opgeëiste persoon een instructie heeft ontvangen over zijn plicht om de Poolse autoriteiten te informeren over een adreswijziging en over de gevolgen als de opgeëiste persoon niet aan deze verplichting voldoet. Gelet op voormelde informatie was de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure tegen hem, en levert het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op. Als de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De rechtbank ziet daarom af van haar bevoegdheid de overlevering te weigeren. Ten aanzien van de uitspraken II K 42/17 en II Ka 191/18 Uit het EAB en de aanvullende informatie leidt de rechtbank af dat in hoger beroep definitief uitspraak is gedaan over de schuld en de straf, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld. Alleen de procedure in hoger beroep, dus het arrest met referentienummer II Ka 191/18, valt daarom onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing in hoger beroep heeft geleid. Verder stelt de rechtbank vast dat van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW geen sprake is. Uit zowel het EAB als de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon niet in persoon is opgeroepen voor het hoger beroep, en ook niet op andere officiële wijze op de hoogte kon zijn van de procedure in hoger beroep. Een oproep is weliswaar verstuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres in het vooronderzoek, maar de rechtbank kan niet vaststellen dat de opgeëiste persoon deze oproep heeft opgehaald. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat ook de omstandigheid bedoeld in artikel 12, onder b, OLW zich niet voordoet. Uit de aanvullende informatie van 9 en 16 juni 2020 blijkt dat de opgeëiste persoon een ex officio advocaat had. Die advocaat heeft hoger beroep ingesteld en heeft de opgeëiste persoon ook in hoger beroep verdedigd, maar niet is gebleken dat de opgeëiste persoon hem daartoe gemachtigd had. De omstandigheid zoals genoemd in artikel 12, onder c, OLW doet zich evenmin voor nu uit de aanvullende informatie van 28 november 2022 blijkt dat het arrest niet aan de opgeëiste persoon is betekend. Verder is er geen verzetgarantie afgegeven als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van deze bevoegdheid. Zij acht daarbij het volgende van belang. De rechtbank kan niet vaststellen dat het hoger beroep op verzoek van de opgeëiste persoon is ingesteld, dan wel dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure in hoger beroep. Uit de aanvullende informatie van 28 november 2022 volgt weliswaar dat de opgeëiste persoon ten aanzien van de procedure in eerste aanleg (II K 42/17) de zogenaamde ‘adresinstructie’ heeft ontvangen, maar niet vermeld is dat die instructie ook geldt voor een eventuele procedure in hoger beroep. Dat een oproep voor het hoger beroep naar het in eerste aanleg doorgegeven adres is verstuurd, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet zonder meer aan de opgeëiste persoon worden tegengeworpen. Ook anderszins is niet gebleken dat de opgeëiste persoon op de hoogte had kunnen of moeten zijn van de procedure in hoger beroep. De rechtbank is daarom van oordeel dat de opgeëiste persoon in deze situatie niet op ondubbelzinnige wijze uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon aanwezig te zijn. Evenmin is hij kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot de ontvangst van officiële correspondentie. In deze omstandigheden kan de rechtbank niet vaststellen dat overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt, en zal de rechtbank de overlevering voor het arrest met referentienummer II Ka 191/18 weigeren. 4Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit in het vonnis met referentienummer II K 349/16 niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer voldaan is aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: medeplegen opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. 5Slotsom Nu ten aanzien van het vonnis met referentienummer II K 349/16 waarvoor de overlevering wordt verzocht, is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook verder geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, zal de overlevering voor het feit zoals vermeld in overweging 4 worden toegestaan. De overlevering voor het arrest met referentienummer Ka 191/18 zal worden geweigerd. 6Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2 en 10 Opiumwet en 2, 5, 7 en 12 OLW. 7Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Circuit Court in Sieradz – II Criminal Divison (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, die is opgelegd bij het vonnis met referentienummer II K 349/
- WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor zover het EAB betrekking heeft op de vrijheidsstraf die is opgelegd bij het arrest met referentienummer II Ka 191/
- Aldus gedaan door mr. M.C.M. Hamer, voorzitter, mrs. J.A.A.G. de Vries en R. Godthelp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Rus, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 27 december
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 augustus 2017, C-270/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:628 (Tupikas).