RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/192994-22 (EAB I) RK nummer: 22/4445 Datum tussenuitspraak: 29 november 2022 TUSSENUITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 oktober 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 11 juli 2022 door the Warsaw Regional Court (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1990, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres opgeëiste persoon] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 22 november 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat te Breda en door een tolk in de Poolse taal. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een judgment by the District Court of Pruszków van 27 maart 2015, referentienummer II K 73/15. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en vijfentwintig dagen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon dient de straf nog geheel te ondergaan. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De raadsman heeft primair betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd. De opgeëiste persoon was niet aanwezig op de zitting die tot dit vonnis heeft geleid, terwijl ook geen sprake is van één van de in artikel 12 onder a tot en met d OLW genoemde omstandigheden. De oproep voor de zitting is naar een adres gestuurd, maar onbekend is naar welk adres. De opgeëiste persoon stelt in die periode geen adres in Polen te hebben gehad. Het is onduidelijk door wie de oproep is opgehaald, in ieder geval niet door hemzelf. De opgeëiste persoon heeft niet geprobeerd zich aan het proces of aan de betekening van stukken te onttrekken. Subsidiair heeft de raadsman verzocht op dit punt aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW zich heeft voorgedaan in deze zaak, zodat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. Oordeel van de rechtbank Het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. De rechtbank stelt verder vast dat het vonnis is gewezen zonder dat zich één van de omstandigheden als bedoeld in artikel 12, sub b en c, OLW heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat ook de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW zich niet voordoet. In onderdeel
- d)van het EAB is het volgende vermeld: “the person was not summoned in person but by other means actually received official information of the scheduled date and place of the trial which resulted in the decision, in such a manner that it was unequivocally established that he or she was aware of the scheduled trial and was informed that a decision may be handed down if he or she does not appear for the trial. Correspondence for the convict, with information on the date of the trial, was sent to his residence address, and collected by an authorised person”. Uit de hierboven weergegeven informatie volgt niet dat de ‘authorised person’ de oproep voor de zitting daadwerkelijk aan de opgeëiste persoon heeft overhandigd. Ook overigens zijn geen feitelijke elementen vermeld op basis waarvan de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft geconstateerd dat de opgeëiste persoon de informatie over onder meer het tijdstip en de plaats van zijn proces daadwerkelijk officieel heeft ontvangen. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank beschikt echter over onvoldoende informatie om te kunnen beoordelen of zij van deze bevoegdheid af kan zien. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de volgende vragen te (laten) stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit: - Is de opgeëiste persoon verhoord ten aanzien van het feit dan wel op enig ander moment in het vooronderzoek op de hoogte gesteld dat er een strafprocedure tegen hem was begonnen? - Welk(
- e)adres(sen) heeft de opgeëiste persoon tijdens dan wel na zijn verhoor opgegeven? - Naar welk(
- e)adres(sen) en op welke datum is de oproep aan de opgeëiste persoon verstuurd? - Is de opgeëiste persoon geïnstrueerd over zijn rechten en plichten waaronder de verplichting om adreswijzigingen door te geven, waarbij uitgelegd is welke juridische gevolgen het verzuim van deze plicht met zich meebrengt? 5Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd - met dien verstande dat de zaak medio december 2022 opnieuw op zitting moet worden aangebracht (althans in ieder geval twee weken voor het verstrijken van de beslistermijn op 2 januari 2023) - om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 4. geformuleerde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman. BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip. Aldus gedaan door mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter, mrs. J.A.A.G. de Vries en D.A. Segbedzi, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Potters, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 29 november 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. HvJ EU 24 mei 2016, ECLI:EU:C:2016:346, Dworzecki, punten 47-49)