← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:8484

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/263316-22 RK nummer: 22/4515 Datum uitspraak: 21 december 2022 UITSPRAAK op de vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 12 augustus 2022 door het Amtsgericht Brilon (Duitsland) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [straat] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 december

  1. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D. Greven, advocaat in Borne. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een arrestatiebevel van 16 april 2021 van het Amtsgericht Brilon, dossiernummer 17 Ls 410 Js 434/20-43/
  2. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 18, te weten: georganiseerde of gewapende diefstal Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan. De Leitende Oberstaatsanwalt in Arnsberg heeft op 9 november 2022 de volgende garantie gegeven: ‘Europees Arrestatiebevel van 12-08-2022, betreffende [opgeëiste persoon] , geboren [geboortedag] -1988 te [geboorteplaats] (…) Er wordt verzekerd dat in geval van een definitieve veroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland, de vervolgde persoon voor verdere tenuitvoerlegging van de straf naar Nederland zal worden teruggezonden op basis van de geldige versie van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27.11.2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafrechtelijke beslissingen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen worden opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie.’ Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6Overige punten Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon nog Nederlandse strafzaken heeft lopen die gelet op artikel 36 OLW in de weg staan aan zijn feitelijke overlevering. Nu er prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) ten aanzien van - kort gezegd - de voortzetting van de overleveringsdetentie in het geval van uitstel van de feitelijke overlevering, verzoekt de raadsvrouw om aanhouding van deze zaak totdat het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat de rechtbank - als uitvoerende rechterlijke autoriteit - zelf dient te beslissen dat de feitelijke overlevering wordt uitgesteld. Verder heeft zij verzocht de overleveringsdetentie op te heffen dan wel te schorsen tot aan het moment van de feitelijke overlevering. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft ter zitting naar voren gebracht dat een lopende strafvervolging in verband met een andere verdenking in Nederland niet in de weg staat aan de beslissing van de rechtbank om de overlevering van de opgeëiste persoon toe te staan. De verzoeken van de raadsvrouw zien op beslissingen over de tijd en de plaats van de feitelijke overlevering, die in deze procedure (nog) niet aan de orde zijn. Artikel 36 OLW is bovendien een facultatieve bepaling; niet uitgesloten is dat binnen de termijn van de gevangenhouding een voorlopige terbeschikkingstelling kan plaatsvinden. Het schorsingsverzoek moet worden afgewezen, voor zover het ziet op schorsing na de uitspraak. Schorsing na de uitspraak is slechts mogelijk in zeer uitzonderlijke omstandigheden, welke omstandigheden zich in deze zaak niet voordoen. Bovendien moet een dergelijk verzoek worden ingediend bij de raadkamer van de Internationale Rechtshulpkamer van deze rechtbank. Oordeel van de rechtbank De raadsvrouw heeft primair verzocht om aanhouding van de zaak in afwachting van de beantwoording van de door deze rechtbank aan het Hof van Justitie gestelde prejudiciële vragen. Inmiddels heeft het Hof van Justitie op 8 december 2022, een dag na de zitting, arrest gewezen in voornoemde zaak. Het verzoek om aanhouding wordt om die reden afgewezen. Uit dat arrest volgt dat artikel 23 van Kaderbesluit 2002/584/JBZ zo moet worden uitgelegd dat alleen de uitvoerende rechterlijke autoriteit een beslissing tot uitstel van de feitelijke overlevering kan nemen. Inmiddels heeft de rechtbank beslist dat een door de officier van justitie ex artikel 36 lid 1 OLW genomen beslissing tot uitstel van de feitelijke overlevering niet rechtmatig is en dat een kaderbesluitconforme uitleg meebrengt dat de door de rechtbank in raadkamer genomen beslissing tot uitstel daarvoor in de plaats treedt. Alhoewel de rechtbank, met de raadsvrouw, van oordeel is dat de beslissing tot uitstel van de feitelijke overlevering door de rechtbank moet worden genomen, stelt de rechtbank vast dat het verzoek om uitstel van de feitelijke overlevering op dit moment prematuur is. Om die reden wijst de rechtbank het verzoek af. Ten aanzien van het verzoek om de schorsing van de overleveringsdetentie na de uitspraak te handhaven tot aan de feitelijke overlevering overweegt de rechtbank dat artikel 64, eerste lid, OLW hiertoe geen mogelijkheid biedt, tenzij sprake is van strijd met artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank op dit moment geen sprake. De opgeëiste persoon kan zich, indien daartoe gronden zijn, na de uitspraak wenden tot de raadkamer van de rechtbank met een nieuw schorsingsverzoek. 7Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 8Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW. 9Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Brilon (Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Aldus gedaan door mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter, mrs. P. van Kesteren en R. Godthelp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Potters, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 21 december
  3. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie ECLI:NL:RBAMS:2022:
  4. Zie ECLI:NL:RBAMS:2022:
  5. Zie HvJ EU 8 december 2022, C-492/22 PPU, ECLI:EU:C:2022:964 (CJ (Décision de remise différée en raison de poursuites pénales)). Zie HvJ EU 8 december 2022, C-492/22 PPU, ECLI:EU:C:2022:964 (CJ (Décision de remise différée en raison de poursuites pénales)), punt
  6. Zie bijvoorbeeld rechtbank Amsterdam 9 december 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:7460.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.