RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 9631238 \ EA VERZ 22-18 beschikking van: 12 augustus 2022 beschikking van de kantonrechter I n z a k e de besloten vennootschap GVB Exploitatie B.V. gevestigd te Amsterdam GVB nader te noemen: GVB gemachtigde: mr. R. Jonkmans t e g e n [verweerster] wonende te [woonplaats] [verweerster] nader te noemen: [verweerster] gemachtigde: [naam nicht] VERLOOP VAN DE PROCEDURE GVB heeft op 11 januari 2022 een verzoek ingediend dat strekt tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst. [verweerster] heeft geen verweerschrift ingediend. [verweerster] is door GVB per exploot opgeroepen aan het door GVB opgegeven adres. Het verzoek is behandeld ter zitting van 16 maart
- GVB is verschenen bij [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] en bijgestaan door haar gemachtigde. [verweerster] is niet verschenen. Vervolgens is de zaak aangehouden om de griffier in de gelegenheid te stellen [verweerster] per gewone post op te roepen tegen de zitting van 31 maart 2022 om 09.00 uur. De zitting is op die datum pro forma voortgezet. [verweerster] is wederom niet verschenen. Wel verscheen de heer [naam zwager] , zwager van [verweerster] . Hij deelde mee niet door [verweerster] gemachtigd te zijn haar ter zitting te vertegenwoordigen. Hij heeft de kantonrechter informatie verschaft over de persoonlijke situatie en psychische toestand van [verweerster] . De kantonrechter heeft een nieuwe mondelinge behandeling gelast die op 27 juli 2022 heeft plaatsgevonden. GVB is verschenen bij [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , voornoemd, bijgestaan door de gemachtigde. Namens [verweerster] verscheen haar nicht [naam nicht] , dochter van [naam zwager] . Zij deelde mee door [verweerster] gemachtigd te zijn haar ter zitting te vertegenwoordigen en verweer te voeren. Partijen hebben hun standpunt ter zitting nader toegelicht en op vragen van de kantonrechter geantwoord. Daarna is een datum voor beschikking bepaald. GRONDEN VAN DE BESLISSING Verzoek en verweer GVB verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1 onderdeel a jo. 669 lid 3, op grond van onderdeel e BW, kort gezegd op grond van verwijtbaar handelen, zodanig dat van GVB in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. GVB stelt dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. [verweerster] is thans 60 jaar oud. Zij is sinds 18 november 1996 in dienst bij GVB in de functie van personenvervoerder Tram. Het salaris bedraagt € 3.105,00 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en andere emolumenten. [verweerster] heeft zich op 24 maart 2020 ziekgemeld. GVB stelt – kort gezegd – dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] omdat zij herhaaldelijk de op haar rustende re-integratieverplichtingen tijdens ziekte niet is nagekomen, door niet te verschijnen op afspraken bij GVB of de bedrijfsarts, niet mee te werken aan redelijke instructies gericht op re-integratie en niet bereikbaar te zijn. Zij is talloze keren aangesproken op haar onacceptabele gedrag en meerdere keren gewaarschuwd voor de consequenties. Haar loon is vier keer gestaakt; sinds 1 september 2021 is sprake van een voortdurende loonstop. Dit alles heeft er niet toe geleid dat [verweerster] de re-integratieverplichtingen nakomt. GVB stelt dat [verweerster] na haar ziekmelding haar re-integratieverplichtingen structureel niet nakomt waarmee sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] . GVB heeft een deskundigenoordeel van 4 februari 2022 overgelegd waarin de arbeidsdeskundige concludeert dat ondanks vele pogingen vrijwel geen contact met [verweerster] werd verkregen en de re-integratie-inspanningen van [verweerster] in de periode van 3 augustus 2021 tot 10 december 2021 onvoldoende zijn. De zwager van [verweerster] , [naam zwager] , heeft op de zitting van 31 maart 2022 toegelicht dat [verweerster] zes maanden op straat heeft geleefd nadat haar huis in het najaar van 2021 op een veiling is verkocht. Zij verblijft nu bij haar zwager. [verweerster] is volgens hem geestelijk niet in orde. Ze heeft de grip op de realiteit verloren. [verweerster] lijkt niet te beseffen dat zij niet naar haar eigen woning terug kan en dat ze hulp nodig heeft. Zij weigert iedere vorm van juridische of medische hulp. De familie is erg met haar lot begaan. De nicht van [verweerster] , [naam nicht] , heeft verweer gevoerd op de zitting van 27 juli
- Zij heeft mondeling toegelicht dat [verweerster] thans bij haar woont en dat het psychisch al lange tijd niet goed met haar gaat. [naam nicht] bevestigt dat [verweerster] van niemand hulp wil aanvaarden en alle contacten afhoudt. De mogelijkheden van gedwongen opname worden momenteel onderzocht. [naam nicht] heeft ter zitting een brief van 5 juli 2022 overgelegd van de aan de GGZ-instelling Arkin verbonden sociaal psychiatrisch verpleegkundige [naam verpleegkundige] . Daarin staat dat Arkin Zorgtoeleiding sinds kort betrokken is bij [verweerster] , dat sprake is van ernstige psychiatrische problematiek waarvoor de mogelijkheden van gedwongen zorg thans bekeken worden. De brief is voor akkoord ondertekend door psychiater [naam 5] , en is aan het dossier toegevoegd. Beoordeling
- [verweerster] is in 1996 in dienst getreden als tramconductrice bij GVB. Haar dienstverband duurt inmiddels ruim 25 jaar. Zij is sinds maart 2020 arbeidsongeschikt. Uit de medische informatie die GVB heeft overgelegd blijkt dat [verweerster] beperkingen in persoonlijk sociaal functioneren ondervindt wegens psychische problematiek. In de loop van de tijd heeft GVB op advies van de bedrijfsarts meermalen geprobeerd een re-integratietraject op te starten. De bedrijfsarts achtte [verweerster] daartoe in staat. GVB heeft veel moeite gedaan om afspraken met [verweerster] te maken over haar re-integratie. Dit is keer op keer mislukt door het bij voortduring zorg- en contactmijdende gedrag van [verweerster] . Zij kwam structureel niet of slechts ten dele afspraken na ondanks vele waarschuwingen, diverse loonstakingen en dreiging met ontslag. Zelfs de loonstop per 1 september 2021 heeft hier geen verandering in kunnen brengen.
- De inhoud van het dossier, gecombineerd met de informatie ter zitting bieden voldoende aanwijzingen dat het structurele zorg- en contact mijdende gedrag van [verweerster] en haar voortdurende gebrek aan medewerking bij re-integratiepogingen van GVB hun oorzaak vinden in ernstige psychiatrische problematiek. De brief van Arkin bevestigt dit beeld. Het deskundigenoordeel van 4 februari 2022 doet hieraan niet af, omdat de deskundige niet of nauwelijks persoonlijk contact met [verweerster] heeft gehad en zich dus niet op basis van eigen waarneming een oordeel heeft kunnen vormen over de psychische gesteldheid van [verweerster] . De gebeurtenissen in het afgelopen jaar, te weten het uitblijven van protest tegen de loonstop, de onvrijwillige verkoop van de woning, zes maanden op straat leven, de weigering aangeboden hulp van professionals te aanvaarden en het gebrek aan realiteitszin volgens haar familie, maken voldoende aannemelijk dat haar ontwijkingsgedrag haar als gevolg van psychische problemen niet, of slechts zeer beperkt, kan worden toegerekend.
- De kantonrechter is al met al van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat het niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen wordt veroorzaakt, althans sterk verband houdt, met de ziekte van [verweerster] . Voorzover het opzegverbod en het daaruit voortvloeiende ontbindingsverbod nog van toepassing mocht zijn dient het ontbindingsverzoek om die reden te worden afgewezen.
- Ook om een andere reden kan het ontbindingsverzoek niet worden toegewezen. Het gedrag van [verweerster] dat voor GVB aanleiding is geweest dit verzoek in te dienen kan [verweerster] niet, althans slechts zeer beperkt, worden verweten, zoals hiervoor onder 9 is overwogen. Van verwijtbaar handelen zodanig dat van GVB in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren als bedoeld in artikel 7:671b lid 1 onderdeel a jo. 669 lid 3 onderdeel e BW is in dit geval geen sprake is. Het ontbindingsverzoek wordt daarom afgewezen.
- GVB zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. BESLISSING De kantonrechter: wijst het verzoek af; veroordeelt GVB in de kosten van de procedure aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil; Deze beschikking is gegeven door mr. M.W. van Veen, kantonrechter en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2022 in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter