← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:8865

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 20/5062 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2022 in de zaak tussen [eiser] , te [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. S.N. de Jager), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (gemachtigde: [gemachtigde] ). Procesverloop Met het besluit van 24 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van een Europese gehandicaptenparkeerkaart voor bestuurder (GPK) afgewezen. Met het besluit van 25 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus

  1. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Als waarnemer van mr. S. Guman is verschenen mr. A.S. Avagyan. Overwegingen Feiten en omstandigheden
  2. Eiser heeft op 16 december 2019 bij verweerder een aanvraag ingediend tot toekenning van een GPK.
  3. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder advies gevraagd aan de GGD. De GGD heeft in haar rapportage van 30 december 2019 het college geadviseerd om de aanvraag van eiser af te wijzen. Volgens de GGD kan eiser zich ‘zonder hulp van een ander, met de gebruikelijke loophulpmiddelen, redelijkerwijs over een langere afstand dan 100 meter aaneengesloten voortbewegen’.
  4. Verweerder heeft in navolging van het advies van de GGD met het primaire besluit de aanvraag van eiser afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar aangetekend.
  5. Tijdens de bezwaarprocedure heeft verweerder opnieuw medisch advies gevraagd aan de GGD. Volgens de GGD was een groot deel van de aanvullende stukken die door eiser in bezwaar zijn ingebracht al bekend. Daarnaast heeft de tussentijds nieuwe diagnose die bij eiser is gesteld volgens de GGD weinig invloed op de mobiliteit van eiser. De GGD heeft verweerder daarom wederom geadviseerd om de aanvraag van eiser af te wijzen.
  6. Verweerder heeft met het bestreden besluit de afwijzing van de aanvraag van eiser gehandhaafd. Beroepsgronden
  7. Volgens eiser voldoet hij wel aan de eisen voor een GPK, aangezien hij door medische klachten minder dan 100 meter aaneengesloten kan voortbewegen.
  8. Daarnaast heeft verweerder volgens eiser ten onrechte niet getoetst of bij eiser sprak is van aandoeningen, anders dan loopbeperkingen, zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder d, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart.
  9. Volgens eiser is het onderzoek door de GGD-arts onzorgvuldig geweest. De uitkomsten van het onderzoek komen niet overeen met de door eiser ingediende stukken van zijn huisarts en specialisten.
  10. Eiser vindt het niet te volgen dat zijn huisarts en de specialisten wel aangeven dat hij zeer beperkt is met lopen, maar dat de GGD daarentegen een negatief advies uitbrengt. Voor eiser is niet te volgen hoe de GGD tot de vaststelling komt dat hij in staat is om 100 meter te lopen. Volgens eiser is het advies van de GGD niet deugdelijk gemotiveerd. Niet duidelijk is wat er precies is geobserveerd door de GGD-arts. Beoordeling door de rechtbank
  11. Verweerder mag zich volgens vaste rechtspraak bij het nemen van een besluit baseren op een advies van een deskundige instantie zoals de GGD, als dit advies op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld. Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of het advies van de GGD aan deze eisen voldoet.
  12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte het bezwaar van eiser onder verwijzing naar de adviezen van de GGD ongegrond verklaard. De adviezen van de GGD zijn niet op objectieve en inzichtelijke wijze opgesteld. Verweerder had het bestreden besluit daarom niet op deze adviezen mogen baseren. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
  13. Uit de gedingstukken blijkt dat de adviezen van de GGD gebaseerd zijn op mondeling verstrekte gegevens, observatie van het loop- en beweegpatroon van eiser, kennis van het ziektepatroon van eiser, opgevraagde medische informatie en toetsing aan het VIA-protocol. Uit de adviezen van de GGD valt niet op te maken wat de onderzoeken, zowel het onderzoek naar het loop- en beweegpatroon van eiser als het gericht medisch onderzoek, hebben ingehouden en hoe deze onderzoeken hebben geleid tot de conclusie dat eiser meer dan 100 meter zelfstandig kan lopen. Daarbij komt dat in de adviezen niet is opgenomen welk ziektebeeld door de keuringsarts bij eiser is geconstateerd, tot welke loopbeperking dit ziektebeeld leidt en waarom dit ziektebeeld niet maakt dat eiser minder dan 100 meter zelfstandig kan lopen. De overwegingen die summier zijn opgesomd in de rapportages van de GGD maken (de conclusies van) de adviezen niet inzichtelijk of objectiveerbaar.
  14. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij af is gegaan op de informatie van de GGD en dat het college de medische informatie niet kan toetsen. Ook heeft verweerder aangegeven dat het college, in verband met privacyregels, niet alle medische informatie van de GGD heeft ontvangen. De rechtbank overweegt als volgt. De omstandigheid dat het in deze procedure gaat om vertrouwelijke medische gegevens van eiser, ontslaat verweerder niet van zijn vergewisplicht. Verweerder mag niet blind afgaan op de conclusie die door de keuringsarts is getrokken en moet zelf toetsen of de redenering die tot deze conclusie leidt inzichtelijk en te volgen is. Verweerder heeft dat in deze zaak niet gedaan. Dit maakt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Overigens blijkt uit het dossier ook niet dat verweerder aan eiser toestemming heeft gevraagd voor het verstrekken van de medische informatie door de GGD-arts.
  15. Tot slot merkt de rechtbank op dat een onzorgvuldig tot stand gekomen advies, dat niet inzichtelijk en concludent is, niet alleen tot gevolg heeft dat de rechtbank het advies niet kan toetsen, maar ook dat het voor eiser onmogelijk wordt gemaakt om het advies gemotiveerd te betwisten. Uit artikel 3:2 van de Awb in samenhang gelezen met artikel 7:12 en artikel 3:49 van de Awb ligt de eis besloten dat een besluit dat berust op het advies van een medisch adviseur, zodanig inzichtelijk gemotiveerd moet zijn dat de belanghebbende zich daartegen gericht te weer kan stellen. Duidelijk moet zijn op grond van welke vormen van onderzoek en op basis van welke gegevens de adviseur tot zijn bevindingen is gekomen. Het advies van de GGD voldoet niet aan deze vereisten.
  16. Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep van eiser gegrond. De rechtbank kan niet zelf over de zaak beslissen, omdat er een nieuw advies van de GGD nodig is, waaruit duidelijk blijkt of eiser in aanmerking komt voor een GPK.
  17. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen, en zich daarbij houden aan hetgeen de rechtbank heeft bepaald in deze uitspraak. Verweerder moet dit nieuwe besluit nemen binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
  18. Verweerder moet de proceskosten van deze rechtszaak aan eiser vergoeden. De rechtbank stelt deze proceskosten vast op € 1518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1518,-; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiser te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Moafi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 september
  19. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7709.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.