← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2022:938

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/752341-21 RK nummer: 21/6474 Datum uitspraak: 3 februari 2020 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 3 december 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 2 december 2021 door de North District Prosecutor’s Office (Estland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (Georgië) op [geboortedag] 1996, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in [detentieplaats] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 januari 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J. Woltring, advocaat te Haarlem, en door een tolk in de Russische taal. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Georgische nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een arrest warrant no. 1-21-8182

(21230101157), uitgevaardigd door de Harju County Court op 1 december 2021. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Ests recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in onderdeel
  1. e)van het EAB. 4Strafbaarheid Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 18, te weten: georganiseerde of gewapende diefstal Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Estland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. 5Mentale gezondheid van de opgeëiste persoon Standpunt van de raadsman De raadsman heeft aangevoerd dat – kort gezegd – de opgeëiste persoon lijdt aan een psychische stoornis. De zaak zou daarom moeten worden aangehouden, zodat er vragen kunnen worden gesteld aan de autoriteiten in Estland over de mogelijkheden van psychiatrische zorg voor de opgeëiste persoon. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij op de hoogte is van de geestelijke gezondheid van de opgeëiste persoon, maar dat dit niet aan de overlevering in de weg staat en dat er geen nadere vragen gesteld hoeven te worden. Zij heeft verklaard dat de medische informatie van de opgeëiste persoon aan de Estse autoriteiten verstrekt kan worden zodat hiermee bij de feitelijke overlevering rekening kan worden gehouden. Oordeel van de rechtbank De rechtbank begrijpt het verzoek om aanhouding aldus dat de raadsman heeft willen betogen dat gedetineerden in penitentiaire inrichtingen in Estland die gezondheidsproblemen hebben – in het bijzonder psychische klachten – een reëel gevaar lopen om te worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling. Om die reden dient navraag te worden gedaan over de behandelmogelijkheden voor de opgeëiste persoon indien hij aan Estland wordt overgeleverd. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het verweer niet. De raadsman heeft immers geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens verstrekt die onderbouwen dat gedetineerden met psychische klachten in penitentiaire inrichtingen in Estland een reëel gevaar lopen om te worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling. Gelet op het vorenstaande rust op de rechtbank niet de verplichting om concreet en nauwkeurig te beoordelen of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon dit gevaar zal lopen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het onderzoek te schorsen voor het stellen van nadere vragen. Dit laat onverlet dat de medische informatie van de opgeëiste persoon aan de Estse autoriteiten verstrekt kan worden zodat hiermee bij de feitelijke overlevering rekening kan worden gehouden. 6Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 7Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de North District Prosecutor’s Office (Estland) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel
  2. e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. M.C.M. Hamer, voorzitter, mrs. A.J.R.M. Vermolen en C.M. Delstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Rus, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 3 februari 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 ([naam 1] en [naam 2])

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.