RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/752295-21 (EAB II) RK nummer: 21/6516 Datum uitspraak: 3 februari 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 6 december 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 28 september 2021 door de Piotrków Trybunalski Regional Court (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1985, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de [detentieplaats] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 januari 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.A. Kaarls, advocaat te Den Haag, en door een tolk in de Poolse taal. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een final judgment van de Bełchatów District Court van 20 december 2018 (II K 457/16), modified with the judgment of Piotrków Trybunalski Regional Court van 20 december 2019 (IV Ka 566/19). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 8 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1 jaar, 7 maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest van the Piotrków Trybunalski Regional Court. Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW 3.1.1 Reikwijdte van artikel 12 OLW Uit de in het EAB onder rubriek D verstrekte informatie leidt de rechtbank af dat in hoger beroep definitief uitspraak is gedaan over de schuld en de straf, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld. Alleen de procedure in hoger beroep bij Piotrków Trybunalski Regional Court valt daarom onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. 3.1.2 Oordeel rechtbank De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid Uit de in het EAB onder rubriek D verstrekte informatie en hetgeen de opgeëiste persoon heeft verklaard, volgt echter dat een door hem gemachtigde advocaat ter zitting in hoger beroep zijn verdediging heeft gevoerd. Aldus is er sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 12, aanhef en onder b, OLW. Het bovenstaande betekent dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW niet van toepassing is. 3.2 Genoegzaamheid Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering gedeeltelijk moet worden geweigerd. Het EAB is ten aanzien van het eerste strafbare feit, namelijk het bezit van een onbekende hoeveelheid cannabis, niet genoegzaam omdat niet kan worden getoetst om hoeveel cannabis het daadwerkelijk ging. Hierdoor kan de dubbele strafbaarheid niet getoetst worden. Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat de zaak zou moeten worden aangehouden om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is en de overlevering moet worden toegestaan. Bezit van cannabis is – in welke hoeveelheid dan ook – dubbel strafbaar en het betreft een executie-EAB, dus de opgeëiste persoon is hier al voor veroordeeld. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen. In de onderhavige zaak geldt het volgende. Het EAB bevat in onderdeel E onder II een concrete en gedetailleerde omschrijving van onder meer de datum en de pleegplaats van het strafbare feit. Het is daardoor voldoende duidelijk waarvoor de opgeëiste persoon is veroordeeld. Dat er geen concrete hoeveelheid cannabis in het EAB wordt genoemd, doet daar niet aan af. De rechtbank acht de omschrijving genoegzaam en ziet geen aanleiding de zaak aan te houden om hierover vragen te stellen. 4Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft; opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. 5Evenredigheid Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de eisen van proportionaliteit zijn genegeerd met het uitvaardigen van dit EAB, omdat het mogelijk om een zeer geringe hoeveelheid cannabis gaat. Dat maakt het EAB onevenredig. EAB’s zijn niet bedoeld voor dergelijke kleine zaken. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan, omdat er sprake is van stelselevenredigheid. Oordeel van de rechtbank Voor de vraag of sprake is van (on)evenredigheid van de overlevering dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de zogenoemde stelselevenredigheid van de OLW en de evenredigheid in een concreet geval. Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken. Daarbij is het in beginsel aan de uitvaardigende autoriteit om de evenredigheid van het uitvaardigen van een EAB te toetsen. Gelet hierop kan een beroep op de onevenredigheid van een EAB slechts onder uitzonderlijke omstandigheden slagen. Uitzonderlijke omstandigheden doen zich in het onderhavige geval niet voor. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. 6Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. In gevallen als deze, waarin tegen dezelfde opgeëiste persoon ook een vervolgings-EAB is uitgevaardigd en de behandeling van de vordering is aangehouden in afwachting van antwoorden op nadere vragen – namelijk het EAB met parketnummer 13/751367-21 – , ligt de machtiging van de rechtbank aan de officier van justitie om de feitelijke overlevering te bewerkstelligen pas besloten in de einduitspraak met betrekking tot dat vervolgings-EAB (behoudens eerdere intrekking van dat vervolgings-EAB of van de met betrekking tot dat EAB gedane vordering als bedoeld in artikel 23, tweede lid, OLW). 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 3 en 11 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Piotrków Trybunalski Regional Court (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. M.C.M. Hamer, voorzitter, mrs. A.J.R.M. Vermolen en C.M. Delstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Rus, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 3 februari 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 augustus 2017, C-270/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:628 (Tupikas) Rechtbank Amsterdam, 25 november 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:5778.