RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 21/3791, 21/3793 en 21/3794 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 februari 2022 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] (Duitsland), eiser (gemachtigde: mr. F.Y. Gans), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder ( [gemachtigde verweerder] ). Procesverloop AMS 21/3791 Met een brief van 9 maart 2021 heeft verweerder aan eiser een formulier PDU 1 toegestuurd over het jaar
- Bij besluit van 8 juni 2021 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. AMS 21/3793 Bij besluit van 12 maart 2019 (het primaire besluit 1) heeft verweerder beslist over de aangifte PDU 1 over het jaar
- Bij besluit van 8 juni 2021 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. AMS 21/3794 Bij besluit van 10 maart 2020 (het primaire besluit 2) heeft verweerder beslist over de aangifte PDU 1 over het jaar
- Bij besluit van 8 juni 2021 (het bestreden besluit 3) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. In alle zaken Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari
- Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen Het bestreden besluit 1 1.
- Eiser heeft op 11 januari 2021 een formulier PDU 1 aangevraagd, deze heeft hij met primaire besluit 1 van verweerder ontvangen. Op het formulier staat hoelang eiser in Nederland heeft gewerkt en tegen welke werkloosheid hij verzekerd is. Indien eiser het niet eens is met de genoemde periodes op het formulier PDU 1 kan hij bezwaar maken. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het verzekeringsloon op het PDU 1 formulier. 1.
- Verweerder heeft met het bestreden besluit 1 het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Het sv-loon op het PDU 1 formulier is aanvullende informatie en maakt geen onderdeel uit van het besluit met betrekking tot de verzekerde tijdvakken die in aanmerking moeten worden genomen voor het verlenen van uitkering bij werkloosheid. Het bestreden besluit 2 2.
- Eiser heeft op 10 december 2018 een formulier PDU 1 aangevraagd voor het jaar
- Verweerder heeft in de eerste instantie het formulier PDU 1 niet juist ingevuld en daarom met het primaire besluit 2 het nieuwe formulier PDU 1 toegestuurd. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. 2.
- Met het bestreden besluit 2 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar te laat is ingediend. Eiser heeft met de brief van 12 mei 2021 de mogelijkheid gekregen om toe te lichten waarom het bezwaar te laat was, verweerder heeft hierin geen reden gezien om het bezwaar alsnog ontvankelijk te verklaren. Het bestreden besluit 3 3.
- Eiser heeft op 3 januari 2020 het formulier PDU 1 aangevraagd voor
- Verweerder heeft in de eerste instantie het formulier PDU 1 niet juist ingevuld en heeft met het primaire besluit 3 het nieuwe formulier PDU 1 toegestuurd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 3.
- Met het bestreden besluit 3 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar te laat is ingediend. In de brief van 12 mei 2021 heeft eiser ook voor dit bezwaar de mogelijkheid gekregen voor het geven van een toelichting. Ook in dit bezwaar heeft verweerder geen reden gezien om het bezwaar alsnog ontvankelijk te verklaren. Beoordeling door de rechtbank 4.1 De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet langer in geschil is dat het gedeelte van de PDU 1 formulieren dat ziet op het sv-loon niet is gericht op rechtsgevolg. Dat betekent de bezwaren om die reden al niet-ontvankelijk zijn. Omdat dit voor alle drie de beroepszaken geldt, betekent dit dat eiser op dit punt geen beoordeling meer hoeft. Omdat de bezwaren niet-ontvankelijk zijn kan de beoordeling of eiser in de zaken 21/3793 en 21/3794 (met betrekking tot de jaren 2018 en 2019) een verschoonbare reden had om te laat bezwaar te maken, in het midden worden gelaten. 4.
- Ter zitting is vastgesteld dat enkel nog in geschil is of de hoorplicht is geschonden en of daardoor een onzorgvuldige besluitvorming heeft plaatsgevonden. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de hoorplicht is geschonden. In alle zaken heeft verweerder afgezien van horen omdat de bezwaren kennelijk niet-ontvankelijk waren. De rechtbank vindt dat verweerder in deze zaken inderdaad had mogen afzien van horen. In zaak 21/3791 was sprake van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar omdat het deel waarop het bezwaar zag, niet gericht was op rechtsgevolg. In de andere twee zaken zijn de bezwaren kennelijk niet-ontvankelijk geacht omdat sprake was van niet verschoonbare overschrijding van de redelijke termijn. Ook in dat geval mocht verweerder afzien van horen. Ook als in deze zaken sprake zou zijn geweest van een verschoonbare termijnoverschrijding, was er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk over de uitkomst van de zaken. Want de geëigende weg om op te komen tegen de hoogte van het sv-loon was het vragen van een herbeoordeling van het sv-loon bij het Uwv en niet het maken van bezwaar. Daarop was eiser bij de primaire besluiten ook uitdrukkelijk op gewezen. De rechtbank acht de besluitvorming dan ook zorgvuldig. Conclusie
- De beroepen zijn ongegrond, dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Bosma griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 februari
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Sociale verzekeringsloon: het loon waarover belastingen en sociale verzekeringspremies worden. Artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht.