← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2023:1052

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/263735-22 RK nummer: 22/4943 Datum uitspraak: 22 februari 2023 UITSPRAAK op de vordering van 29 november 2022 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 21 april 2022 door the Circuit Court of Zielona Góra (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang Het EAB is behandeld op de zitting van 14 februari

  1. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.L.E. Mcgivern, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door haar raadsman, mr. T. Kocabas, advocaat te Zoetermeer, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court of Zary van 18 augustus 2020 (referentie: II K 497/20). In het EAB staat dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaar, acht maanden en 25 dagen De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer voldaan is aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. 5Artikel 11 van de OLW 5.1 Artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie Verweer van de raadsman De opgeëiste persoon heeft een kind van 10 maanden, dat zij borstvoeding geeft. Gelet op de (ontwikkeling van) de natuurlijke band tussen moeder en kind is het van belang dat zij niet van elkaar worden gescheiden. Mogelijk kan de opgeëiste persoon met haar kind de gevangenisstraf in Polen ondergaan. De opgeëiste persoon en haar kind zouden dan echter langdurig worden gescheiden van de vader van het kind. Al met al zou het toestaan van de verzochte overlevering een onevenredige inbreuk op het recht op familieleven met zich meebrengen. Het bepaalde in artikelen 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden en 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) zijn in dit verband van belang. Standpunt van de officier van justitie Het is mogelijk dat de opgeëiste persoon met haar kind de gevangenisstraf in Polen ondergaat. Daarnaast is een inbreuk op het familie- en gezinsleven in dit geval gerechtvaardigd gelet op artikel 7 in samenhang bezien met artikel 52 van het Handvest. Dat volgt ook uit uitspraken van de rechtbank (bijvoorbeeld: ECLI:NL:RBAMS:2023:244 en ECLI:NL:RBAMS:2022:8155). Oordeel van de rechtbank De rechtbank begrijpt dat de raadsman een beroep doet op het bepaalde in artikel 11 van de OLW. In artikel 11, eerste lid, van de OLW is bepaald dat aan een EAB geen gevolg wordt gegeven in gevallen, waarin naar het oordeel van de rechtbank zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan dat de opgeëiste persoon na overlevering een reëel gevaar loopt dat zijn door het Handvest gewaarborgde grondrechten zullen worden geschonden. Overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen is, gelet op artikel 52, eerste lid, van het Handvest, een bij wet voorziene en dus toegestane inmenging in de uitoefening van het recht op familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 7 van het Handvest. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden zal het familie- en gezinsleven zwaarder wegen dan het legitieme doel dat met overlevering wordt nagestreefd. Wat de raadsman heeft aangevoerd, is onvoldoende om dergelijke uitzonderlijke omstandigheden aan te nemen. De inmenging in de uitoefening van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven levert daarom geen beletsel op voor overlevering dan wel voor het gevolg geven aan het EAB. 5.2 Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van haar strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 6Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 312 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 van de OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court of Zielona Góra (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Aldus gedaan door mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter, mrs. R. Godthelp en B.M. Vroom-Cramer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 februari
  2. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.
  3. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.