RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751100-17 RK nummer: 17/104 Datum uitspraak: 28 februari 2023 UITSPRAAK op de vordering van 2 januari 2017 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 11 juni 2012 door the District Court in Krakow (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang Zitting 30 maart 2017 De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 maart
- Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Vorrink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door mr. B.K.M. Fritz, advocaat te Haarlem, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Verder heeft de rechtbank de behandeling van de vordering voor onbepaalde tijd aangehouden om antwoorden op prejudiciële vragen af te wachten, die ook van belang zouden kunnen zijn voor de afdoening van deze zaak, en om de officier van justitie bij de uitvaardigende justitiële autoriteit nadere informatie op te laten vragen. Zitting 14 februari 2023 De behandeling van het EAB is met instemming van de officier van justitie en de opgeëiste persoon voortgezet op de zitting van 14 februari 2023 in de stand waarin het onderzoek zich bevond op het moment van de aanhouding op de zitting van 30 maart
- Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door mr. B. Wernik, advocaat te Haarlem, en door een tolk in de Poolse taal. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the Regional Court in Wieliczka, Second Department-Criminal Court van 31 juli 2009 (II K 309/09); een verzamelvonnis van the Regional Court in Wieliczka, Second Department-Criminal Court van 30 november 2011 (II K 767/11), waaraan ten grondslag liggen: een vonnis van the Krakow-Krowodrza Regional Court in Krakow van 27 december 2006 (II K 1850/06/K); een vonnis van the Krakow-Krowodrza Regional Court in Krakow van 28 december 2006 (II K 2025/06/K). De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in het EAB en in de aanvullende brief van 6 maart 2017 vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de processen die tot de beslissingen hebben geleid. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van één jaar; één jaar en acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straffen resteren volgens het EAB nog: zeven maanden en 15 dagen; één jaar, zeven maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen. Dit vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4Strafbaarheid 4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten deels aan als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 16 en 18, te weten: ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling; georganiseerde of gewapende diefstal. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van deze feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 4.2 Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten deels niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Deze feiten leveren naar Nederlands recht op: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak; diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak. 5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
- ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
- ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat is voldaan aan deze vereisten. De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen. De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen. De rechtbank heeft hiervoor een deel van de feiten, die ten grondslag liggen aan het EAB, al gekwalificeerd naar Nederlands recht. De overige feiten, die ten grondslag liggen aan het EAB leveren naar Nederlands recht op: medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving; diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Uit de hiervoor onder weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraffen niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgen. De opgelegde sancties zijn naar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraffen overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen. Zij is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In het onderhavige geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid. De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen. 6Slotsom De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 47, 282, 311 en 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a en 7 OLW. 8Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] , aan the District Court in Krakow (Polen). BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland. BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] , tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Aldus gedaan door mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter, mrs. R. Godthelp en B.M. Vroom-Cramer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 28 februari
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB.