RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/276122-22 RK nummer: 22/4654 Datum uitspraak: 11 januari 2023 TUSSEN UITSPRAAK op de vordering van de officier van justitie van 28 oktober 2022 bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 11 oktober 2022 door de onderzoeksrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres opgeëiste persoon] , gedetineerd in [detentieplaats] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 december
- Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diependaal, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. S. van Minderhout, advocaat in Breda. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een afzonderlijk bevel tot aanhouding bij verstek afgeleverd door een onderzoeksrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 11 oktober 2022 (2022/091). De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 18, te weten: georganiseerde of gewapende diefstal. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, hij deze straf in Nederland mag ondergaan. De procureur des Konings te Turnhout heeft op 14 december 2022 de volgende garantie gegeven: Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar NEDERLAND van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu [opgeëiste persoon] . Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar NEDERLAND zal terugkeren om zijn straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ). Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden De rechtbank heeft bij uitspraak van 21 december 2022 geoordeeld dat er thans een reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling voor alle gedetineerden in België. In deze uitspraak heeft de rechtbank ook geoordeeld dat de eerdere algemene detentie-garantie, die vooral betrekking heeft op de personal space van 3 m2 - in combinatie met de ‘grondslapersproblematiek’ - en de sanitaire omstandigheden, niet langer toereikend is. Er is dus sprake van een individueel reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon. De mogelijkheid bestaat echter dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog kan worden uitgesloten. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat geen gevolg geven aan het EAB op dit moment nog niet aan de orde is. De rechtbank zal de beslissing over de overlevering daarom aanhouden en op de volgende zitting onderzoeken of een wijziging in de omstandigheden optreedt. De rechtbank stelt de in artikel 11, vierde lid, OLW bedoelde redelijke termijn in deze zaak vast op maximaal 60 dagen. Binnen deze termijn zal de vordering opnieuw op een openbare zitting worden behandeld. Op basis van artikel 22, zesde lid, OLW, verlengt de rechtbank de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW, met 60 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding met 60 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Wanneer binnen de hierboven gestelde redelijke termijn geen wijzigingen in de omstandigheden zijn opgetreden, zal aan de overlevering ingevolge artikel 11, eerste lid, OLW, geen gevolg worden gegeven. 7Verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie De raadsvrouw heeft verzocht om schorsing van de overleveringsdetentie. De opgeëiste persoon heeft familie in Nederland en kan daar verblijven. Hij is bereid zich aan alle voorwaarden te houden, zoals het inleveren van zijn identiteitsbewijs en een meldplicht. Er is geen vluchtgevaar. De opgeëiste persoon heeft zich nooit onvindbaar gehouden voor politie en justitie. Daarnaast heeft hij een aantal strafzaken in Nederland lopen en daar wil hij bij aanwezig zijn. De officier van justitie heeft zich verzet tegen schorsing van de overleveringsdetentie, omdat de opgeëiste persoon onvoldoende binding heeft met Nederland. De rechtbank wijst het verzoek af. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een dusdanig groot vluchtgevaar, dat dit niet kan worden ondervangen met voorwaarden. De opgeëiste persoon heeft weliswaar een adres in Nederland waar hij kan verblijven, maar dit betreft niet zijn eigen woning. Hij heeft hier bovendien ook geen werk of andere vorm van dagbesteding. De rechtbank leidt daaruit af dat er voor de opgeëiste persoon geen zaken zijn die hij mogelijk zou verliezen door op de vlucht te slaan. Daarnaast vindt de rechtbank ook niet dat de opgeëiste persoon inmiddels dusdanig lang in overleveringsdetentie heeft gezeten of dreigt te zitten dat het voortduren daarvan een schending van artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zou opleveren. 8Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting tot een nader te bepalen zittingsdatum en -tijd. HOUDT AAN de beslissing over de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, België. WIJST AF het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie. VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, zesde lid, OLW met zestig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding met zestig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW. BEPAALT dat de vordering opnieuw op zitting moet worden gepland uiterlijk 14 dagen vóór 24 maart 2023, het einde van de verlengde beslistermijn. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw. Aldus gedaan door mr. J.G. Vegter, voorzitter, mrs. J.A.A.G. de Vries en E.G.M.M. van Gessel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 11 januari
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. ECLI:NL:RBAMS:2022:
- Artikel 11, tweede lid, OLW.