← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2023:1488

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/126527-22 (EAB II) RK nummer: 22/5071 Datum uitspraak: 15 februari 2023 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 8 december 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 5 april 2022 door the Regional Court in Lublin (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1996, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres 1], hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 1 februari 2023. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. G.P. Sholeh. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Ebbink, advocaat te Haarlem, en door een tolk in de Poolse taal. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een enforceable judgement of the District Court in Chelm of 25th September 2019, reference II K 45/17. Uit de aanvullende informatie van the District Court in Chelm van 3 januari 2023 blijkt dat op 26 februari 2020 een arrest in hoger beroep is gewezen door the Regional Court in Lublin (reference V Ka 10/20). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 6 maanden door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest. Het arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel

  1. e)van het EAB. 4Artikel 12 OLW Standpunt van de verdediging Uit alle aanvullende informatie kan niet worden afgeleid dat zich een van de situaties zoals genoemd in artikel 12 OLW heeft voorgedaan. De informatie over de al dan niet gemachtigde advocaat van de opgeëiste persoon is tegenstrijdig, zodat ook de omstandigheid van artikel 12 onder b OLW zich niet voordoet. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dan ook van toepassing. De rechtbank dient niet af te zien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW, omdat de opgeëiste persoon zich er niet van bewust is geweest dat in zijn zaak zowel in eerste aanleg als in hoger beroep een procedure is gevoerd. Hij was minderjarig op het moment dat hij de adresinstructie kreeg. De Poolse autoriteiten wisten bovendien kennelijk dat de opgeëiste persoon niet meer in Polen verbleef, maar hebben hem toch opgeroepen voor de zittingen op het adres dat hij ooit in Polen had opgegeven. Standpunt van de officier van justitie Primair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat zowel bij het proces in eerste aanleg als in hoger beroep de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW zich voordoet. Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is geweest van een gemachtigd advocaat, kan de rechtbank afzien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW omdat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten voldoende heeft kunnen uitoefenen. Oordeel van de rechtbank Uit het EAB en de aanvullend door de Poolse autoriteiten verstrekte informatie blijkt dat op 25 september 2019 door the District Court een vonnis in eerste aanleg is gewezen, waarbij over de schuld en straf van de opgeëiste persoon is geoordeeld. De ex officio aangewezen advocaat heeft hoger beroep ingesteld dat zich heeft beperkt tot de hoogte van de opgelegde straf. In hoger beroep is de schuld van de opgeëiste persoon niet besproken. Als de strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, kan de laatste van die beslissingen – in dit geval het arrest in hoger beroep van 9 juli 2019 – relevant zijn voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 12 OLW. Dat is het geval als bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld. Nu uit de verstrekte informatie naar voren komt dat het in hoger beroep niet is gegaan over de mate van schuld van de opgeëiste persoon maar wel over de aan hem opgelegde strafmaat, zal de rechtbank zowel het vonnis van the District Court in Chelm als het arrest van the Regional Court in Lublin toetsen aan artikel 12 OLW. In het EAB en in de aanvullend verstrekte informatie van de Poolse autoriteiten staat niet dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest bij de processen die tot voormelde beslissingen hebben geleid. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat niet eenduidig uit het EAB en de aanvullende informatie kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon in beide instanties op de hoogte was van het voorgenomen proces en dat een gemachtigd advocaat zijn verdediging heeft gevoerd. Er wordt namelijk afwisselend gesproken over een door de opgeëiste persoon gemachtigd advocaat en over een ex officio, court appointed advocaat. Uit de aanvullende informatie volgt verder dat uit het dossier van de Poolse autoriteiten niet blijkt dat de opgeëiste persoon en de ex officio advocaat contact met elkaar hebben gehad nadat het hoger beroep was ingesteld. Ook is niet bekend of de opgeëiste persoon wist dat er een procedure in hoger beroep werd gevoerd. Daar komt bij dat de opgeëiste persoon zowel bij de Nederlandse officier van justitie als op de zitting heeft verklaard dat hij geen raadsman heeft gemachtigd en dat hij geen hoger beroep heeft ingesteld. Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. De andere in artikel 12 OLW genoemde omstandigheden doen zich evenmin voor en evenmin is een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW verstrekt. Dat betekent dat de rechtbank de overlevering op grond van artikel 12 OLW kan weigeren. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. De opgeëiste persoon heeft op 6 maart 2014 tijdens het politieverhoor het [adres 2] als adres opgegeven waarnaar de correspondentie kon worden verstuurd. De opgeëiste persoon heeft tijdens dit politieverhoor een adresinstructie gekregen en daarvoor ook getekend. Naar dit opgegeven adres zijn vervolgens alle oproepingen voor zowel het proces in eerste aanleg als in hoger beroep verzonden. De opgeëiste persoon heeft geen gehoor gegeven aan de op dat adres achtergelaten afhaalberichten. De opgeëiste persoon is in de adresinstructie gewezen op zijn plicht om een adreswijziging door te geven en op de consequenties van het niet nakomen van die verplichting. Ook is hij erop gewezen dat de instructie geldt voor de gehele gerechtelijke procedure waaronder het hoger beroep. De opgeëiste persoon is vervolgens in 2015 naar Nederland vertrokken. Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. De omstandigheid dat de opgeëiste persoon op het moment van voornoemde adresinstructie minderjarig was, maakt dit niet anders. De opgeëiste persoon is, zo hij al dan niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Dat de Poolse autoriteiten volgens de raadsman moeten hebben geweten dat hij op dat moment niet meer in Polen verbleef, maakt dit evenmin anders. Het blijft immers de verantwoordelijkheid van de opgeëiste persoon om een adreswijziging door te geven aan en bereikbaar te zijn voor de Poolse autoriteiten in het kader van de strafprocedure. De verweren van de raadsman worden verworpen. 5Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, terwijl het feit door twee of meer verenigde personen is gepleegd. 6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW Standpunt verdediging De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon gedurende de laatste vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven en daarom gelijkgesteld dient te worden met een Nederlander in de zin van artikel 6a OLW. De raadsman heeft ter onderbouwing hiervan stukken aan de rechtbank overgelegd. De overlevering moet daarom worden geweigerd en de in Polen opgelegde straf kan door Nederland moeten worden overgenomen. Standpunt officier van justitie Op grond van de door de verdediging overgelegde stukken is onvoldoende onderbouwd dat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander in de zin van artikel 6a OLW. Oordeel van de rechtbank Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan ingevolge artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd indien deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet ingevolge artikel 6a, negende lid, van de OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten: ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit de overgelegde documenten niet kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon gedurende een ononderbroken periode van vijf jaren in Nederland heeft verbleven. In de overgelegde documenten ontbreken stukken over het inkomen van de jaren 2018 tot en met 2021. Reeds hierom kan een onafgebroken rechtmatig verblijf van de opgeëiste persoon over de afgelopen vijf jaar niet worden aangetoond. Dit betekent dat aan de eerste voorwaarde van artikel 6a, negende lid, OLW niet is voldaan, zodat de opgeëiste persoon niet gelijk kan worden gesteld met een Nederlander. De rechtbank verwerpt het verweer. 7Toepasselijke wetsbepalingen Artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Lublin (Polen) voor het feit, zoals omschreven in onderdeel
  2. e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. M.C.M. Hamer, voorzitter, mrs. M. Snijders Blok-Nijensteen en L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 februari 2023. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 augustus 2017 in de zaak Tupikas, ECLI:EU:C:2017:628.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.