← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2023:154

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM afdeling privaatrecht Zaaknummer en rolnummer: 10087110 / CV EXPL 22-11549 Vonnis van de kantonrechter van 20 januari 2023 in de zaak van: de naamloze vennootschap, NATIONALE-NEDERLANDEN LEVENSVERZEKERINGEN MAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te Rotterdam, eiseres, gemachtigde: Van Es Gerechtsdeurwaarders & Incasseerders B.V. (LikiFin), tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, procederende in persoon. De kantonrechter noemt de partijen hierna NN en [gedaagde] . 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van NN van 22 augustus 2022, met bijlagen, - het proces-verbaal van de rolzitting op 12 september 2022 waarbij [gedaagde] mondeling heeft geantwoord, - het tussenvonnis van 26 september 2022, - de conclusie van repliek van NN met één bijlage, - vervolgens heeft [gedaagde] de gelegenheid gekregen om te reageren, maar dat heeft ze niet gedaan. 1.
  2. Vervolgens heeft de kantonrechter de beslissing genomen die hieronder staat beschreven. 2De vaststaande feiten 2.
  3. NN is een verzekeringsmaatschappij. 2.
  4. [gedaagde] is geen klant bij NN. 2.
  5. Op 15 oktober 2019 heeft NN haar bank de opdracht gegeven om € 16.335,40 te betalen op rekeningnummer [rekeningnummer] , ten name van een klant van NN. Deze klant heeft aan NN laten weten dat hij het geld niet had ontvangen. 2.
  6. Vervolgens heeft NN aan de bank (Knab) gevraagd wie de rekeninghouder van het rekeningnummer was. 2.
  7. Knab heeft op 19 februari 2020 aan NN gemaild dat de bankrekening op naam van [gedaagde] stond. 2.
  8. NN heeft [gedaagde] meerdere keren gevraagd om het geld terug te betalen. [gedaagde] heeft NN niks betaald. 3Het geschil 3.
  9. NN vordert: I dat [gedaagde] € 16.335,40 moet betalen, met rente, II dat [gedaagde] € 1.135,40 aan buitengerechtelijke kosten moet betalen, III dat [gedaagde] de proceskosten van deze procedure moet betalen. NN vordert dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal zijn. Dat betekent dat NN het bedrag na het vonnis bij [gedaagde] mag incasseren, ook al gaat [gedaagde] in hoger beroep. 3.
  10. NN zegt dat zij per ongeluk € 16.335,40 heeft overgemaakt naar het rekeningnummer van [gedaagde] . 3.
  11. [gedaagde] betwist dat zij een bankrekening heeft bij Knab en dat zij € 16.335,40 heeft ontvangen. 4De beoordeling 4.
  12. De kantonrechter vindt dat NN voldoende heeft aangetoond dat [gedaagde] het geld heeft ontvangen. Omdat NN dit bedrag per ongeluk had betaald, moet [gedaagde] het terugbetalen. Hierna legt de kantonrechter uit waarom. 4.
  13. In artikel 6:203 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat iemand geld dat hij ‘onverschuldigd’ heeft betaald, kan terugvorderen. Onverschuldigd betekent dat er geen rechtsgrond, oftewel geen reden was om het bedrag te betalen. [gedaagde] betwist niet dat NN het geld aan het rekeningnummer heeft overgemaakt. [gedaagde] zegt ook niet dat NN wel een reden had om € 16.335,40 aan haar te betalen. Deze zaak gaat dus niet over de vraag of het geld onverschuldigd is betaald. [gedaagde] zegt alleen maar dat het rekeningnummer niet van haar is. Daar gaat deze zaak dus over. 4.
  14. NN heeft verwezen naar de e-mail van Knab (zie onder 2.5). Daarmee heeft zij onderbouwd dat het rekeningnummer van [gedaagde] is. Vervolgens heeft [gedaagde] dit ontkend. Daarna heeft NN nog gecheckt of het IBAN-nummer (het rekeningnummer) en de naam [gedaagde] bij elkaar horen. Uit die check blijkt dat de bankrekening in elk geval op 22 november 2022 op naam van [gedaagde] stond. [gedaagde] heeft daar niet meer op gereageerd. De kantonrechter vindt dat NN dan ook voldoende heeft aangetoond dat het rekeningnummer op 15 oktober 2019 van [gedaagde] is geweest. De kantonrechter wijst de vordering van NN dus toe. 4.
  15. Doordat [gedaagde] niet heeft betaald, ook niet na de betalingsherinneringen van NN, moet [gedaagde] ook rente betalen. NN heeft namelijk drie brieven aan [gedaagde] gestuurd om het geld terug te vragen. In de laatste brief van 7 september 2020 staat dat [gedaagde] vanaf 28 september 2020 wettelijke rente moet betalen als [gedaagde] niet binnen twee weken betaalt. Omdat [gedaagde] niet heeft betaald, is zij op 28 september 2020 ‘in verzuim’ geraakt. Daarom moet zij vanaf die datum rente betalen. 4.
  16. NN vordert € 2.496,97 aan rente. Zij heeft niet uitgelegd hoe ze dat bedrag heeft berekend. € 2.496,97 is meer dan 15% van de hoofdsom, dat is te veel. [gedaagde] hoeft alleen de wettelijke rente betalen, die staat in artikel 6:119 BW. Dat wijst de kantonrechter toe. 4.
  17. NN vordert daarnaast nog betaling van buitengerechtelijke kosten. Meestal berekent de kantonrechter deze kosten volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Dat Besluit geldt echter niet in dit geval. De kantonrechter toetst deze vordering daarom aan het Rapport Voorwerk II. Maar de kantonrechter gebruikt wel de staffel (berekening) in het Besluit. 4.
  18. NN heeft onderbouwd dat zij met de betalingsherinneringen buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt. Alleen als deze kosten redelijk zijn en ‘in redelijkheid’ zijn gemaakt, kan de kantonrechter ze toewijzen. Doordat [gedaagde] alsmaar niet heeft betaald, zijn de buitengerechtelijke kosten in redelijkheid gemaakt. De hoogte van de gevorderde kosten is echter niet redelijk omdat NN meer vordert dan de berekening in het Besluit. Volgens de berekening in het Besluit zijn de kosten € 938,
  19. De kantonrechter wijst dit bedrag toe. 4.
  20. De kantonrechter stelt [gedaagde] in het ongelijk. Zij moet daarom de proceskosten van NN betalen. De kantonrechter berekent die kosten op: - explootkosten € 129,52 - griffierecht € 1.384,00 - salaris gemachtigde € 746,00 (2,0 punten x tarief € 373,00) Totaal € 2.259,52 4.
  21. De kantonrechter wijst ook de nakosten toe. Dat zijn extra kosten die [gedaagde] moet betalen als ze na dit vonnis niet betaalt. In de beslissing staat hoe de kantonrechter die kosten berekent. 5De beslissing De kantonrechter 5.
  22. veroordeelt [gedaagde] om € 16.335,40 aan NN te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 28 september 2020 tot de dag van algehele betaling, 5.
  23. veroordeelt [gedaagde] om € 938,35 aan NN te betalen voor buitengerechtelijke kosten, 5.
  24. veroordeelt [gedaagde] om € 2.259,52 aan NN te betalen voor proceskosten, 5.
  25. veroordeelt [gedaagde] om aan NN de kosten te betalen die ze na dit vonnis nog moet maken, begroot op € 124,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met de explootkosten van betekening van de uitspraak, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, 5.
  26. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Aldus gewezen door mr. H.J. Schaberg, kantonrechter, bijgestaan door mr. M.A.A. van Achterberg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 januari
  27. De griffier De kantonrechter In het Besluit staat hoe de kosten moeten worden berekend: € 875,00 + 1% over (hoofdsom - € 10.000,00). De hoofdsom is € 16.335,
  28. € 16.335,40 - € 10.000,00 = € 6.335,
  29. [gedaagde] moet dus 1 % van € 6.335,40 (dat is € 63,35) + € 875,00 betalen. Dat is € 938,35.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.