RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/712855 / HA ZA 22-75 Vonnis van 25 januari 2023 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. D.M. Schouten-Hennen te Heerhugowaard, tegen [gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. R.H. Wormhoudt te Ruinerworld. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 28 september 2022 - de akte van [eiser] . 1.
- Daarna is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling overnamesom 2.
- [gedaagde] heeft zich contractueel verbonden om € 31.000 aan [eiser] te betalen voor overname van een horecaonderneming. [gedaagde] voert verweer dat hij bevrijdend heeft betaald aan [naam 1] , de ex-partner van [eiser] . Het was de rechtbank niet duidelijk of [gedaagde] met dit verweer bedoelde dat [naam 1] en/of de boekhouder ( [naam 2] ) bevoegd was de betaling namens [eiser] te ontvangen, of dat [gedaagde] op redelijke gronden hiervan mocht uitgaan (zie artikel 6:34 BW). In het tussenvonnis heeft de rechtbank bepaald dat [gedaagde] zijn stellingen in een akte nader dient te concretiseren, waarna [eiser] hierop bij antwoordakte mag reageren. Daarna zou beoordeeld worden of bewijslevering op dit punt aan de orde is. 2.
- De zaak is naar de rol van 12 oktober 2022 verwezen zodat [gedaagde] een akte kon nemen. Dat heeft [gedaagde] toen niet gedaan. Hij heeft wel een verzoek om uitstel gedaan, maar dat is afgewezen. [eiser] heeft daarna nog een akte ingediend. 2.
- De rechtbank komt tot de volgende conclusie. [gedaagde] moest € 31.000 aan [eiser] betalen en heeft dat niet gedaan. Zijn verweer dat hij aan een ander bevrijdend heeft betaald is onvoldoende concreet geworden en wordt dan ook verworpen. Bewijslevering is dus niet aan de orde. Dat betekent dat [gedaagde] in het eindvonnis zal worden veroordeeld om € 31.000 aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf iedere overeengekomen vervaltermijn tot aan de datum van volledige voldoening. lening 2.
- In het tussenvonnis is al bepaald dat [eiser] na de aktewisseling een bewijsopdracht zal krijgen over de gestelde lening. [eiser] stelt dat zij € 5.000 aan [gedaagde] heeft geleend en dat haar zoon dit geldbedrag destijds aan [gedaagde] in contanten heeft overhandigd. Dit bedrag zou na de verbouwing van het restaurant aan haar moeten worden terugbetaald. [gedaagde] erkent dat hij € 5.000 heeft ontvangen, maar hij heeft dit bedrag ontvangen van [naam 1] en hoefde dit bedrag niet terug te betalen (aan [eiser] ). Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op [eiser] de bewijslast van haar stellingen. Zij zal dan ook in de gelegenheid worden gesteld om te bewijzen dat zij € 5.000 aan [gedaagde] heeft geleend. [eiser] mag zelf bepalen hoe zij bewijs wil leveren. Dat kan bijvoorbeeld door het overleggen van bewijsstukken of door het horen van getuigen. Als zij van de mogelijkheid tot bewijslevering gebruik maakt, mag daarna [gedaagde] tegenbewijs leveren. 2.
- Als [eiser] niet slaagt in haar bewijsopdracht dan zal dit deel van de vordering worden afgewezen. Als [eiser] wel slaagt, dan zal [gedaagde] in het eindvonnis worden veroordeeld om ook dit deel van de vordering te betalen aan [eiser] . 2.
- Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 3De beslissing De rechtbank 3.
- draagt [eiser] op te bewijzen dat zij € 5.000 aan [gedaagde] heeft geleend, 3.
- bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 22 februari 2023 voor uitlating door [eiser] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel, 3.
- bepaalt dat, als [eiser] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moet brengen, 3.
- bepaalt dat, als [eiser] getuigen wil laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden maart tot en met juni 2023 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald, 3.
- bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank, in het gerechtsgebouw te Amsterdam, Parnassusweg 280, 3.
- bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen, 3.
- houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. Q.M.J.A. Crul en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2023.