RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/001001-23 RK nummer: 23/163 Datum uitspraak: 23 maart 2023 UITSPRAAK op de vordering van 16 januari 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 24 mei 2022 door the Lisbon Court of Supervision of the Enforcement of Sentences (Portugal) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren in [geboorteplaats] (Portugal) op [geboortedag] 1987, huidige woon- of verblijfplaats onbekend, gedetineerd in [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 maart 2023. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diependaal, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.J. Linck, advocaat in Amsterdam. Zij neemt waar voor haar kantoorgenoot, mr. S. Pijl, eveneens advocaat in Amsterdam. De opgeëiste persoon is daarnaast bijgestaan door een tolk in de Portugese taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Portugese nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt in de onderdelen
- b)en
- f)de volgende beslissingen: een enforceable judgement van 9 januari 2018 van the Coruche’s District Court of General Jurisdiction – Judicial District of Santarém, onherroepelijk sinds 9 juli 2018, met case No. 235/15.0GBCCH; een court order of conversion van 6 november 2020, onherroepelijk sinds 16 december 2020, met case No. 104/13.0TXLSB-C – Conditional Release (Law 115/2009). een decision van 7 oktober 2021 met referentie Law 9/2020 waarin the release of the defendant was ordered. Tegen deze beslissing is de officier van justitie in beroep gegaan op 5 november 2021. In hoger beroep is op 26 januari 2022 een beslissing genomen door the Lisbon Court of Appeal, onherroepelijk sinds 2 februari 2022. Deze beslissing hield het volgende in: ‘having been granted the appeal filed by repealing the decision which granted pardon’. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog elf maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor onder I genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de raadsvrouw 4.1 Ten aanzien van het in rechtsoverweging 3 onder I genoemde vonnis geldt dat de opgeëiste persoon betwist dat het vonnis aan hem in persoon is uitgereikt. De overlevering moet op grond van artikel 12 OLW geweigerd worden, nu de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van het proces dat tot het vonnis heeft geleid. De opgeëiste persoon stelt pas op de hoogte te zijn geraakt van het vonnis toen de aanvankelijk aan hem opgelegde geldboete, die hij niet had betaald, al was omgezet in een gevangenisstraf en daartegen geen rechtsmiddelen meer openstonden. 4.2 Ten aanzien van de in rechtsoverweging 3 onder II en III genoemde beslissingen geldt dat er op grond van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB, nu ten aanzien van deze beslissingen niet bekend is of de opgeëiste persoon daarvan op de hoogte is gesteld. De opgeëiste persoon heeft zich in deze twee procedures niet kunnen verdedigen en heeft geen eerlijk proces gekregen. 4.3 Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om over de gang van zaken rondom de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in de in rechtsoverweging 3 onder II en III genoemde procedures nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Standpunt van de officier van justitie 4.4 Ten aanzien van het in rechtsoverweging 3 onder I genoemde vonnis is sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub c OLW. De in artikel 12 OLW bedoelde weigeringsgrond is ten aanzien van dat vonnis dan ook niet van toepassing. 4.5 De in rechtsoverweging 3 onder II en III genoemde beslissingen hoeven niet aan artikel 12 OLW getoetst te worden, nu het in deze beslissingen niet gaat om een inhoudelijke beslissing over schuld of straf. Oordeel van de rechtbank 4.6 De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van het in rechtsoverweging 3 onder I genoemde vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. 4.7 Uit aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 2 februari 2023 blijkt dat het vonnis op 7 juni 2018 in persoon aan de opgeëiste persoon is uitgereikt. Tijdens deze uitreiking is aan de opgeëiste persoon meegedeeld dat hij binnen 30 dagen hoger beroep had kunnen instellen tegen het vonnis. 4.8 Gelet op het voorgaande is er sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub c OLW. Meer in het bijzonder is er sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub c, onder 2 OLW, nu het vonnis na iets meer dan 30 dagen na de uitreiking daarvan onherroepelijk is geworden (op 9 juli 2018), hetgeen erop duidt dat de opgeëiste persoon niet binnen de voorgeschreven termijn van 30 dagen hoger beroep heeft ingesteld. 4.9 De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW doet zich ten aanzien van het in rechtsoverweging 3 onder I genoemde vonnis dan ook niet voor. De rechtbank merkt daarnaast op dat een enkele betwisting door de opgeëiste persoon van de hierboven beschreven gang van zaken niet voldoende is om tot een ander oordeel te komen. Hetgeen de uitvaardigende justitiële autoriteit vermeldt is in deze leidend. 4.10 De in rechtsoverweging 3 onder II genoemde beslissing ziet op een beslissing over voorwaardelijke invrijheidsstelling (het EAB spreekt namelijk van: ‘conditional release’). De in rechtsoverweging 3 onder III genoemde beslissing ziet op een procedure die alleen gaat over het al dan niet herroepen van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de opgeëiste persoon. Beide beslissingen liggen niet ter toetsing aan artikel 12 OLW voor, nu het niet gaat om procedures waarin de aard of de maat van de straf gewijzigd is. 4.11 Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak aan te houden om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. 4.12 Het verweer van de raadsvrouw slaagt niet. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW doet zich niet voor. 5Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 6Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Bij uitspraak van 6 april 2021 heeft de rechtbank een algemeen reëel gevaar aangenomen dat personen die in Portugal in de detentie-instellingen van Lissabon, Caxias en Setúbal zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Bij brief van 8 februari 2023 heeft de Deputy General Director van het Directorate-General of Reintegration and Prison Services de volgende garantie gegeven: “… I hereby declare and give guarantee that [opgeëiste persoon], ID Card no. [nummer], will not be designated to prisons of Lisbon, Caxias or Setúbal, nor he will be transferred to them.” De rechtbank is, met de raadsvrouw en de officier van justitie, van oordeel dat de hiervoor vermelde garantie voldoende is om het algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon uit te sluiten. 7Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 8Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 107 en 177 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW. 9Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Lisbon Court of Supervision of the Enforcement of Sentences (Portugal) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter, mrs. M. van Mourik en L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 maart 2023. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel
- e)van het EAB. Vergelijk: rechtbank Amsterdam 25 augustus 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:7012. Hof van Justitie van de Europese Unie 22 december 2017, zaak C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026. Rechtbank Amsterdam 6 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1627.