← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2023:1716

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/752302-21 RK nummer: 22/945 Datum uitspraak: 23 maart 2023 UITSPRAAK op de vordering van 16 februari 2022 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 24 september 2021 door de Substituut-procureur-generaal bij het Hof van Beroep Antwerpen (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres opgeëiste persoon] . hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang Het EAB is voor het eerst behandeld op de zitting van 5 januari

  1. Die behandeling heeft geresulteerd in een tussenuitspraak van 19 januari 2023, waarin het onderzoek heropend is om aanvullende vragen te stellen aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) in het kader van het door de raadsvrouw gevoerde gelijkstellingsverweer. De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 9 maart
  2. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diependaal, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. W.E.R. Geurts, advocaat in Amsterdam. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Duitse nationaliteit heeft. 3Tussenuitspraak De rechtsoverwegingen 3, 4 en 5 van de onder 1 genoemde tussenuitspraak van 19 januari 2023 gelden hier als herhaald en ingelast. In deze rechtsoverwegingen is de rechtbank reeds ingegaan op de grondslag en inhoud van het EAB, de strafbaarheid en de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW. De rechtbank merkt op dat in rechtsoverweging 3 van de tussenuitspraak van 19 januari 2023 in een losse zin gesproken wordt van ‘2450 dagen’. Hier is kennelijk een deel van de zin weggevallen. De rechtbank stelt vast dat uit onderdeel c) van het EAB blijkt dat hiermee het nog door de opgeëiste persoon uit te zitten deel van de vrijheidsstraf bedoeld wordt. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW In rechtsoverweging 5 van de onder 1 genoemde tussenuitspraak van 19 januari 2023 heeft de rechtbank geoordeeld dat de opgeëiste persoon voldoet aan de eerste van de twee vereisten die gelden voor gelijkstelling met een Nederlander. Ten aanzien van het tweede vereiste, de verwachting dat de opgeëiste persoon niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel, bestond ten tijde van het wijzen van de tussenuitspraak nog onduidelijkheid. Om die reden is een aanvullende vraag gesteld aan de IND. Het antwoord op de in de tussenuitspraak gestelde vraag is inmiddels ontvangen. Uit de brief van de IND van 23 januari 2023 blijkt het volgende: “In antwoord op uw e-mailbericht van 23 januari 2023 laat ik u weten dat de [opgeëiste persoon] verblijfsrecht naar mijn verwachting behoudt, indien wordt getoetst aan het criterium ‘dwingende redenen van openbare veiligheid’. Bij inbreuken op de ‘openbare veiligheid’ moet gedacht worden aan vergrijpen die ‘het functioneren van instellingen en essentiële openbare diensten’ aantasten of die ‘het overleven van de bevolking’, de ‘externe betrekkingen’, de ‘vreedzame co-existentie van de volkeren’ en/ of ‘militaire belangen’ in gevaar brengen. Misdrijven die genoemd worden in artikel 83, lid 1, van het Verdrag van de werking van de Europese Unie, waaronder internationale drugshandel, kunnen onder het begrip ‘openbare veiligheid’ vallen, mits ze een ‘buitengewoon ernstige inbreuk’ vormen op een fundamenteel belang van de samenleving. Deze inbreuk moet ‘de gemoedsrust en de fysieke veiligheid van de bevolking’ rechtstreeks bedreigen. Op basis van uw beschrijving van de strafbare feiten concludeer ik dat de openbare veiligheid in de hier bedoelde zin niet in het geding is. Ik heb geen informatie over bijzondere feiten en omstandigheden ten aanzien van de persoon van de [opgeëiste persoon] , die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.” Op grond van het bovenstaande is de rechtbank, met de raadsvrouw en de officier van justitie, van oordeel dat ook aan de tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander is voldaan. De opgeëiste persoon zal zijn verblijfsrecht naar verwachting namelijk behouden, wanneer getoetst wordt aan het criterium ‘dwingende redenen van openbare veiligheid’. Nu de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander, moet de rechtbank beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in België opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf. Uit de in rechtsoverweging 4 van de tussenuitspraak van 19 januari 2023 weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgt. De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. Zij is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid. De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen. 5Slotsom De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd. 6Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 225 Wetboek van Strafrecht, 2, 10 en 11b Opiumwet en 2, 5, 6a en 7 OLW. 7Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Substituut-procureur-generaal bij Hof van Beroep Antwerpen (België). BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 van de tussenuitspraak van 19 januari 2023 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland, te weten: een vrijheidsstraf van 2450 dagen. STELT VAST dat de geschorste overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] is geëindigd. BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter, mrs. M. van Mourik en L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 maart
  3. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Rechtbank Amsterdam 19 januari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:
  4. Zie artikel 22 OLW. De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn. Rechtbank Amsterdam 19 januari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:
  5. Zie in dit kader ook rechtsoverweging 3.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.