RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/011753-23 RK nummer: 23/181 Datum uitspraak: 29 maart 2023 UITSPRAAK op de vordering van 19 januari 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 25 juli 2022 door de Substituut-procureur-generaal bij het hof van beroep Antwerpen (België) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres opgeëiste persoon] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 maart 2023. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diependaal, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en vertegenwoordigd door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, die waarneemt voor zijn kantoorgenoot mr. J.C. Sneep. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een arrest van het hof van Beroep van Antwerpen d.d. 4 mei 2022, referentie: 2019/PGA/1655 (Griffienummer: 612/2022). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 4 jaar. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest. Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Onder punt 3.1a van onderdeel
- d)van het EAB is verklaard dat de betrokkene is gedagvaard op 26 februari 2021 per aangetekend schrijven volgens de regels van de Belgische wetgeving en daarbij op de hoogte is gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Ook is hij ervan in kennis gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt. Tot slot is verklaard dat hij werd vertegenwoordigd door een raadsman van zijn keuze. De opgeëiste persoon heeft zelf verklaard dat hij in voorarrest heeft gezeten. Voorts heeft hij verklaard dat hij een Belgische advocaat heeft gevraagd om het proces bij te wonen. Ook heeft hij verklaard dat hij telefonisch contact heeft onderhouden met deze advocaat. De Belgische advocaat, mr. Annemans, heeft aan de raadsman van opgeëiste persoon laten weten dat zij zich gemachtigd achtte om namens de opgeëiste persoon het woord te voeren in het Belgische proces. De raadsman gaat ervan uit dat zij ook daadwerkelijk het woord heeft gevoerd. Uit het voorgaande volgt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het proces tegen hem en dat hij, voor zover hij niet in persoon is verschenen in hoger beroep, kennelijk vrijwillig en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van het recht om op die terechtzitting aanwezig te zijn. In deze omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van schending van zijn verdedigingsrechten. 4. Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod; opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. 5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Op grond van artikel 6a OLW kan de overlevering van een Nederlander worden geweigerd, indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in België opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De raadsman en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden geweigerd en dat de tenuitvoerlegging van de in België opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. Oordeel van de rechtbank De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf. Uit de hiervoor onder 4 weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgt. De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. Zij is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid. De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen. 6Slotsom Nu is vastgesteld dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is en de rechtbank geen aanleiding ziet om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond, wordt de overlevering geweigerd. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2 en 10 Opiumwet en 2, 5, 6a en 7 Overleveringswet. 8Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Substituut-procureur-generaal bij het hof van beroep Antwerpen (België) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland. HEFT OP de overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] . BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is apart opgemaakt. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, voorzitter, mrs. A.J.R.M. Vermolen en B.M. Vroom-Cramer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.A.B. Fransen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 maart 2023. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel
- e)van het EAB.