ECLI:NL:RBAMS:2023:2041
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 10082845 CV EXPL 22-11392 vonnis van: 4 april 2023 fno.: 57327 vonnis van de kantonrechter I n z a k e [eiser] wonende te [woonplaats 1] eiser nader te noemen: [eiser] gemachtigde: mr. E. Swart t e g e n 1. [gedaagde 1] 2. [gedaagde 2] beiden wonende te [woonplaats 2] gedaagden samen nader te noemen: [gedaagden] gemachtigde: mr. J.N. Heeringa.
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 februari 2023. [eiser] is in persoon verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde. [gedaagde 1] is in persoon verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde. Partijen zijn gehoord, beiden aan de hand van overgelegde pleitnotities, en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is vonnis gevraagd en is vonnis nader bepaald op heden.
GRONDEN VAN DE BESLISSING Feiten 1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:
1.1. [gedaagden] is eigenaar van de woning aan de [adres] (hierna genoemd: de woonruimte). Sinds 1 januari 2013 huurt [eiser] de woonruimte van [gedaagden] Bij aanvang bedroeg de huurprijs € 700,00 per maand. Deze huurprijs bedroeg vervolgens – voor zover hier van belang – per 1-1-2020 € 770,00, per 1-2-2021 € 830,00 per maand, per 1-6-2021 € 840,00 per maand, per 1-1-2022 € 862,68 en thans € 898,05 per maand.
1.2. [eiser] heeft met [gedaagden] gecorrespondeerd over de veranda die in slechte staat verkeerde, over een klemmende, kierende en inbraakgevoelige voordeur en het niet kunnen openen van het raam boven de voordeur, en over de langdurige werkzaamheden aan de badkamer.
1.3. [gedaagden] heeft aan Premium Keur opdracht gegeven onderzoek te doen naar de bouwkundige staat van de woonruimte. In het rapport van 24 november 2021 dat is opgesteld naar aanleiding van dit onderzoek wordt onder meer vermeld: ‘ Voordeur De voordeur klemt en het is goed te zien dat er flinke scheefstand is aan de bovenzijde van de deur. De deur klemt door dat het gebouw aan de rechterzijde verzakt is. (…) De huurder gaf aan dat er veel tocht en kou via deze deur naar binnen komt. Tijdens de inspectie heb ik geconstateerd dat dit inderdaad klopt. (…) Door de verzakking van o.a. de voorgevel gaan de sloten moeilijk dicht. (…) Trap en bordes bij achtergevel De staalconstructie bij de achtergevel is in een zeer slechte bouwkundige staat. De klacht van de bewoner is gegrond. Ik raad u aan om de complete staalconstructie te verwijderen en een trap van hardhout bij de achterzijde te laten aanbrengen. (…)’ Vordering 2. [eiser] vordert -na wijziging van eis ter zitting- bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: [gedaagden] te veroordelen om, op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag of dagdeel dat niet aan de veroordeling zal zijn voldaan, binnen 14 dagen na het te wijzen vonnis de kierende voordeur en het niet te openen raam boven de voordeur te herstellen (door zorg te dragen voor de plaatsing van een goed sluitende voordeur en een bovenraam dat open en dicht te doen is); verlaging van de huurprijs van de woonruimte per 1 september 2022 tot de maand volgend op het herstel van het onder a. omschreven gebrek, met 20% van € 862,68 naar € 690,14 (periode van 1 september 2022 tot 31 december 2022) en van € 898,05 naar € 718,44 per maand (vanaf 1 januari 2023); verlaging van de huurprijs van de woonruimte over de periode van 1 september 2020 tot 1 april 2021 met 20% vanwege de gebreken aan badkamer en dan voordeur en raam, verlaging van de huurprijs over de periode van 1 april 2021 tot 1 februari 2022 met 30% vanwege de gebreken aan voordeur, raam en veranda en verlaging van de huurprijs over de periode van 1 februari 2022 tot de maand volgend op herstel van het gebrek onder a. met 20% vanwege de gebreken aan voordeur en raam, zodat de verschuldigde huurprijs bedraagt: € 616,00 per maand over de periode van 1 september 2020 tot 31 december 2020; € 672,00 per maand over de periode van 1 januari 2021 tot 1 april 2021; € 581,00 per maand over de periode vanaf 1 april 2021 tot 1 juni 2021; € 588 per maand over de periode van 1 juni 2021 tot 31 december 2021; € 603,88 per maand over de periode van 1 januari 2022 tot 1 februari 2022;
€ 690,14 per maand over de periode van 1 februari 2022 tot 31 december 2022; € 718, 44 per maand over de periode van 1 januari 2023 tot de maand volgend op herstel van het onder a. omschreven gebrek; [gedaagden] te veroordelen om aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 5.879,94, hetgeen door [eiser] over de periode van 1 september 2020 tot en met 28 februari 2023 op grond van de verlaagde huurprijzen onverschuldigd is voldaan, te vermeerderen met de vanaf 1 maart 2023 onverschuldigd betaalde huurpenningen en de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding; [gedaagden] te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten van € 714,87; [gedaagden] te veroordelen in de proceskosten, zo nodig vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de veertiende dag na dagtekening van het vonnis.
Verweer 5. [gedaagden] heeft het volgende verweer gevoerd. Bij het aangaan van de huurovereenkomst in 2012 was het voor alle betrokkenen overduidelijk dat de staat van de woonruimte reeds dusdanig was dat op enig moment ingrijpende renovatie aan de orde zou zijn. Omdat de woonruimte verouderd was en er grote constructieve ingrepen te verwachten vielen is gezocht naar een mogelijkheid om de wens tot tijdelijke verhuur, tot aan de verwachte renovatie, vorm te geven. Verschillende vormen zijn daarbij ter sprake gekomen. Uiteindelijk is gekozen voor een reguliere overeenkomst, maar uit de gewisselde correspondentie over de te kiezen vorm van verhuur blijkt de achterliggende gedachte van tijdelijke verhuur tot aan het moment van grootschalig onderhoud/renovatie. Er is sprake van een gentleman’s agreement, waarbij [eiser] onder meer heeft aangegeven zelf de verouderde keuken en badkamer te zullen opknappen; hier probeert hij nu onderuit te komen omdat zijn financiële situatie een hogere huurprijs niet toelaat. De huurprijs van de woonruimte is te laag in verhouding tot de kosten die met onderhoud ervan gemoeid zullen gaan.
Beoordeling 8. Aan de orde is de vraag of sprake is van gebreken in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW, of deze gebreken op grond van artikel 7:206 verholpen dienen te worden door de verhuurder en of ten gevolge van de gebreken sprake is van vermindering van het woongenot, op grond waarvan [eiser] een evenredige vermindering van de huurprijs kan vorderen ex artikel 7:207 BW.
Veranda 12. Op 28 maart 2021 heeft [eiser] melding gemaakt van de slechte staat van de veranda. Op de overgelegde foto’s van de veranda die gevoegd zijn bij de e-mail van 28 maart 2021 en op de opname op de usb-stick is te zien dat sprake is van rottende vloerdelen en loszittende planken, evenals een loszittend hek. De slechte staat van de veranda en de mogelijke gevaarlijke situatie die bij gebruik ervan kon ontstaan, zijn niet de eigenschappen die een huurder mag verwachten van een goed onderhouden zaak. Dit wordt ondersteund door de bevindingen in het rapport van Premium Keur, waarin wordt geconstateerd dat de constructie in een zeer slechte bouwkundige conditie is. De kantonrechter is dan ook van mening dat sprake is van een gebrek in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW. De omvang en de ernst van het gebrek brengt met zich dat het hier niet gaat om een klein gebrek betreffende de inrichting van de tuin, zodat aan die stelling van [gedaagden] voorbij wordt gegaan.
Voordeur en raam boven voordeur 14. Voldoende staat vast dat er gedurende lange tijd problemen zijn met de voordeur. In ieder geval op 12 april 2019 meldt [eiser] per e-mail aan [gedaagden] dat de voordeur zodanig klemt, dat de kinderen zelfstandig de deur niet meer open krijgen. [gedaagden] heeft dit laten verhelpen door een timmerman. Ook daarna is er veelvuldig contact geweest over de problemen met de voordeur.
Eerst dan heeft [eiser] [gedaagden] behoorlijk kennis gegeven van deze klacht, zoals artikel 7:207 lid 1 BW vereist. De kantonrechter acht beide gebreken echter dusdanig ernstig, dat een vermindering van de huurprijs van 20% voor ieder gebrek redelijk wordt geacht. Hierbij sluit de kantonrechter aan bij het Gebrekenboek 2022 van de Huurcommissie, volgens welke de gebreken aan de voordeur en het raam boven de voordeur ieder als een gebrek in de categorie C wordt gekwalificeerd, waarvoor een huurprijsvermindering van maximaal 40% mogelijk is. Nu de kantonrechter niet meer kan toewijzen dan gevorderd is, zal het verzoek tot huurprijsvermindering worden toegewezen zoals gevorderd, aangezien reeds voor het gebrek aan de voordeur 20% kan worden toegekend over de gehele gevorderde periode.
De gevorderde verlaging van de huurprijs met 20% over de periode vanaf 1 september 2020 tot en met de maand volgende op het herstel van deze gebreken, wijst de kantonrechter dan ook toe.
Werkzaamheden badkamer 21. Ter zitting heeft de gemachtigde van [eiser] toegelicht dat zij een verlaging van de huurprijs van 20% redelijk acht voor de gebreken aan voordeur/het raam boven de voordeur (i), van 20% voor de gebreken wegens de langdurige werkzaamheden aan de badkamer (ii) en van 10% vanwege de gebreken aan de veranda (iii). Bij dagvaarding vordert [eiser] een verlaging van de huurprijs van 20% over de periode van 1 september 2020 tot 1 april 2021. In de dagvaarding is toegelicht dat dit gaat om de gebreken aan de badkamer (ii) én om de gebreken aan de voordeur/het raam boven de voordeur (i). De vordering ziet blijkens de dagvaarding derhalve op twee (deels samengestelde) gebreken, terwijl slechts één maal 20% huurverlaging over deze periode gevorderd wordt. Nu de kantonrechter de vordering ter zake de huurvermindering met 20% vanwege de gebreken aan de voordeur/het raam boven de voordeur al heeft toegekend, moet de kantonrechter concluderen dat [eiser] geen belang heeft bij beoordeling van de vraag of ook nog een huurverlaging dient te worden toegekend voor de gebreken aan de badkamer; immers ter zake is geen vordering ingediend.
Dwangsom 22. Ten aanzien van de dwangsom overweegt de kantonrechter als volgt. Er is niet sprake van een gebrek dat onmogelijk kan worden verholpen of waarvan het herstel niet in redelijkheid kan worden gevergd van [gedaagden] De hoogte van de dwangsom van € 50,00 per dag of dagdeel dat het gebrek niet is verholpen komt de kantonrechter niet onredelijk voor, zodat deze zal worden toegewezen. Deze zal echter gemaximeerd worden tot een bedrag van € 7.500,00.
Onverschuldigde betaling 23. Ten aanzien van het bedrag dat door [eiser] op grond van de verlaagde huurprijzen onverschuldigd is voldaan, oordeelt de kantonrechter dat deze zal worden toegewezen als na te vermelden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding.
Proceskosten 24. Nu [gedaagden] in het ongelijk is gesteld zal hij worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten aan de zijde van [eiser] .
Buitengerechtelijke kosten 25. Gelet op de bij de dagvaarding overgelegde aanmaning van 7 juli 2022 als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW wordt een bedrag aan buitengerechtelijke kosten toegewezen, dezerzijds begroot op € 500,00.
BESLISSING De kantonrechter: stelt de huurprijsvermindering terzake het gebrek aan de veranda vast op 10% over de periode van 1 april 2021 tot 16 februari 2022; stelt de huurprijsvermindering terzake het gebrek aan de voordeur en het bovenraam vast op 20% over de periode vanaf 1 september 2020 tot de datum waarop dit gebrek is verholpen; veroordeelt [gedaagden] tot betaling aan [eiser] van hetgeen op grond van deze uitspraak onder I. en II. door [eiser] onverschuldigd is betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot aan de voldoening; veroordeelt [gedaagden] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 500,00 aan buitengerechtelijke incassokosten; veroordeelt [gedaagden] om binnen 14 dagen na het te wijzen vonnis de kierende voordeur en het niet te openen raam boven de voordeur te herstellen (door zorg te dragen voor de plaatsing van een goed sluitende voordeur en een bovenraam dat open en dicht te doen is) op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag of dagdeel dat het gebrek niet is verholpen tot een maximering van € 7.500,00; veroordeelt [gedaagden] tot vergoeding aan [eiser] van de proceskosten zijnde een bedrag van € 622,00 (2 punten à € 311,00) aan salaris gemachtigde, € 134,44 aan explootkosten en € 244,00 aan griffierecht, derhalve totaal een bedrag van € 1.000,44 voor zover van toepassing inclusief btw; veroordeelt [gedaagden] tot de nakosten, dezerzijds begroot op € 66,00 aan salaris gemachtigde voor zover van toepassing inclusie btw; verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.