← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2023:2234

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/023022-23 RK nummer: 23/297 Datum uitspraak: 13 april 2023 UITSPRAAK op de vordering van de officier van justitie van 31 januari 2023 bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 31 oktober 2022 door het Amtsgericht Bamberg, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren in [geboorteplaats] (Afghanistan) op [geboortedag] 1996, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres], gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 maart

  1. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diependaal, officier van justitie. De opgeëiste persoon is via telehoren gehoord en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. Y. Bouchikhi, advocaat in Utrecht. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Afghaanse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een arrestatiebevel van 25 oktober 2022 van het Amtsgericht Bamberg (5 Gs 469/22). De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 18, te weten: georganiseerde of gewapende diefstal. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5Gelijkstelling De raadsman verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering in de uitvoerende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan. De opgeëiste persoon heeft een ononderbroken rechtmatig verblijf van vijf jaar in Nederland. Dat er geen gegevens over zijn inkomen zijn, staat hier niet aan in de weg nu hij een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd heeft. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is aangetoond dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Oordeel van de rechtbank Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
  2. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
  3. de opgeëiste persoon kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten genoemd in het EAB;
  4. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel. De rechtbank is van oordeel dat met de overgelegde stukken niet is aangetoond dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Er zijn geen stukken over de rechtmatigheid van zijn verblijf overgelegd. Daarmee is niet voldaan aan het eerste vereiste van artikel 6, derde lid, OLW. Het verweer wordt verworpen. 6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond en voert daartoe het volgende aan: - de vervolging is in Duitsland gestart; - het bewijs bevindt zich in Duitsland; - de medeverdachten worden in Duitsland vervolgd; - de schade is in Duitsland veroorzaakt; - het Nederlandse openbaar ministerie is niet voornemens om zelf de opgeëiste persoon te gaan vervolgen. De raadsman verzoekt de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. Hiertoe voert de raadsman aan dat Nederland het meest aangewezen land is omdat er in Nederland observaties zijn uitgevoerd, er kennelijk een dossier in het Nederlands is en de verdachten zich in Nederland bevinden. De rechtbank stelt voorop dat: - aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn; - de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. Gelet op de door de officier van justitie genoemde argumenten vormt het gegeven dat de feiten worden geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen. 7Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 8Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 7 en 13 OLW. 9Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Bamberg (Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van Kesteren, voorzitter, mrs. M.C. Eggink en H.P. Kijlstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 april
  5. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.