← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2023:2530

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/000686-23 Datum uitspraak: 4 april 2023 UITSPRAAK op de vordering van 8 februari 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 29 november 2022 door the Regional Court in Kielce (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats][geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1980, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 april

  1. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.A. Nunnikhoven, advocaat te Tilburg, en door een tolk in de Poolse taal. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aggregate sentence of the Local Court in Kielce van 28 oktober 2021, reference: II K 831/
  2. Uit het EAB blijkt dat twee vonnissen ten grondslag liggen aan dit vonnis: I) enforceable judgement of Local Court in Kielce van 9 juni 2006, reference: II K 220/05; II) enforceable judgement of Local Court in Kielce van 27 december 2007, reference: II K 717/
  3. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 7 jaar en 3 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 3 jaar, 11 maanden en 19 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis van 28 oktober
  4. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De rechtbank stelt allereerst vast dat aan het EAB een samenvoegingsvonnis ten grondslag ligt, waaraan twee andere vonnissen ten grondslag liggen. Dit brengt mee dat in beginsel zowel de onderliggende vonnissen als het samenvoegingsvonnis moeten worden getoetst aan artikel 12 OLW, nu bij de onderliggende vonnissen onherroepelijk uitspraak is gedaan over de schuld van de opgeëiste persoon en op grond daarvan hem vrijheidsstraffen zijn opgelegd. Ook het samenvoegingsvonnis valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW omdat daarin de duur van de straffen is gewijzigd en de bevoegde autoriteit over een beoordelingsmarge heeft beschikt. Ten aanzien van het samenvoegingsvonnis ( aggregate sentence of the Local Court in Kielce) van 28 oktober 2021, met referentie II K 831/20 Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. De opgeëiste persoon is niet in persoon verschenen bij het proces dat tot het samenvoegingsvonnis van 28 oktober 2021 heeft geleid. Dit vonnis is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Ook is er geen garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW verstrekt. De opgeëiste persoon was niet op de hoogte van de zitting die tot het samenvoegingsvonnis heeft geleid en had geen advocaat. Hij heeft dan ook niet uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht bij het proces dat tot het samenvoegingsvonnis heeft geleid. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. Uit de aanvullende informatie blijkt weliswaar dat de dagvaarding voor de zitting die tot het samenvoegingsvonnis heeft geleid, is verstuurd naar een adres dat door de opgeëiste persoon in 2007 is opgegeven, maar de opgeëiste persoon hoefde er geen rekening mee te houden dat zoveel jaren later de vonnissen zouden worden samengevoegd. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Op basis van de stukken kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk op de hoogte was of kon zijn van de zitting die heeft geleid tot het samenvoegingsvonnis. Het samenvoegingsvonnis is ambtshalve gewezen en niet op verzoek van de opgeëiste persoon. Verder blijkt uit de aanvullende informatie dat de opgeëiste persoon na zijn vertrek uit de Poolse gevangenis op 19 oktober 2020 geen adres heeft achtergelaten waarop hij bereikbaar was voor de Poolse autoriteiten. De oproep voor de zitting die heeft geleid tot het samenvoegingsvonnis is om die reden naar het adres gestuurd dat de opgeëiste persoon had opgegeven tijdens de procedures die hebben geleid tot de onderliggende vonnissen uit 2006 en
  5. Ook is niet gebleken dat de adresinstructie die de opgeëiste persoon heeft gekregen in de procedure die heeft geleid tot het onderliggende vonnis uit 2006, zich mede uitstrekte tot een (eventuele) samenvoegingsprocedure. Verder is niet gebleken dat de opgeëiste persoon (anderszins) op de hoogte was van de zitting die tot het samenvoegingsvonnis heeft geleid. De opgeëiste persoon heeft ook zelf verklaard dat hij niet van het samenvoegingsvonnis op de hoogte was. De rechtbank is van oordeel dat tegen deze achtergrond niet kan worden gezegd dat de opgeëiste persoon (stilzwijgend) afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht noch dat hij kennelijk onzorgvuldig is geweest ten aanzien van de ontvangst van officiële stukken die de uitoefening van dat recht mogelijk zouden maken. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt, zodat zij de overlevering zal weigeren op grond van artikel 12 OLW. De rechtbank komt, nu de overlevering wordt geweigerd voor het samenvoegingsvonnis, niet meer toe aan het toetsen van de onderliggende vonnissen in het kader van artikel 12 OLW. 4Toepasselijke wetsbepalingen Artikel 12 OLW. 5Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Kielce (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. HEFT op de – geschorste – overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon]. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, voorzitter, mrs. M.E.M. James-Pater en H.P. Kijlstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.A.B. Fransen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 april
  6. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie onderdeel e) van het EAB.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.