← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2023:2589

RECHTBANK AMSTERDAM Strafrecht Zittingsplaats Amsterdam parketnummer : 13-063755-22 raadkamernummer : 22-011908 datum : 25 januari 2023 beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [klager], geboren op [geboortedag] 1975 te [geboorteplaats], woonplaats kiezend op het kantoor van zijn raadsmanmr. R.F. Ronday, [kantooradres], hierna te noemen: klager, tevens beslagene. [naam stichting] , gevestigd op het adres [adres], [plaats], mede eigenaar van het pand waarop conservatoir beslag is gelegd, is belanghebbende Procesgang Het klaagschrift is op 8 juni 2022 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. Op 10 november 2022 is de behandeling van het klaagschrift aangehouden omdat de mede-eigenaar van de woning, de belanghebbende [naam stichting], niet was opgeroepen. De rechtbank heeft op 25 januari 2023 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld. De rechtbank heeft klager, diens raadsman en de officier van justitie op zitting gehoord. De belanghebbende, is hoewel geldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen. Inhoud van het klaagschrift Het beklag strekt tot opheffing van het conservatoir beslag gelegd op een bedrag van € 38.900,-. Namens klager heeft de raadsman overeenkomstig zijn pleitnotities gepleit en kort samengevat het volgende aangevoerd. Klager wordt verdacht van een aantal feiten die alle door hem worden ontkend en betwist. Hoewel de rechter-commissaris ernstige bezwaren heeft aangenomen is de voorlopige hechtenis direct geschorst. Door middel van het leggen van beslag op een onroerende zaak waarvan klager mede eigenaar is, wordt hij ten onrechte ten opzichte van de desbetreffende mede eigenaar (de belanghebbende) in een kwaad daglicht gesteld, terwijl er vooralsnog slechts sprake is van een verdenking tegen klager. De raadsman heeft opgemerkt dat klager door de enkele verdenking al genoeg gestraft is in die zin dat hij via het internet volledig is gecanceld en van de KNLTB een verbod heeft opgelegd gekregen tot het geven van tennislessen, waarbij hem zelfs verboden is op tennisparken aanwezig te zijn. Verder wordt door het gelegde beslag de echtscheidingsprocedure waar klager in is verwikkeld ten onrechte gefrustreerd nu het beslagen goed niet in de verdelingsafspraken tussen hem en zijn aanstaande ex-echtgenote kan worden betrokken. Tot slot is er geen enkele financiële noodzaak om tot het gelegde beslag over te gaan aangezien klager over meer dan voldoende vermogen beschikt om indien het tot een schadevergoeding komt deze te kunnen voldoen. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft – onder verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard zich te verzetten tegen het opheffen van het conservatoir beslag omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen. In raadkamer heeft de officier van justitie nog aangevoerd dat de rechter-commissaris een bevel inbewaringstelling heeft afgegeven vanwege een ernstige verdenking welke is bevestigd door een getuige. Dit blijft onverkort in stand. Er is een bevoegdheid voor de vordering conservatoir beslag en dit beslag dient ter veiligstelling van de vorderingen van de benadeelde partijen. De beoordeling Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken. Op 14 april 2022 is op de voet van artikel 94a Sv conservatoir beslag gelegd ter hoogte van een bedrag van € 38.900,-. Klager wordt – kort gezegd – verdacht als tenniscoach/trainer ontucht heeft gepleegd met zijn pupillen [persoon 1] en [persoon 2]. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94a, derde lid, Sv dient de rechter te onderzoeken a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd en b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal opleggen. In het onderhavig geval is sprake van een geldbedrag dat volgens het Openbaar Ministerie aan klager toebehoort en dat dient tot bewaring van het recht van verhaal voor een aan klager op te leggen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd, en of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, in de strafzaak tegen klager voor een ter zake van dat misdrijf de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal opleggen (artikel 94a lid 3). Op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat gelet op het feit waarvan klager verdacht wordt, de door de rechter-commissaris aangenomen ernstige bezwaren en de aangekondigde vorderingen van de benadeelde partijen, het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal opleggen. Het beslag ex artikel 94a Sv dient daarom voort te duren. Het beklag zal dan ook ongegrond worden verklaard. De rechtbank komt tot de volgende beslissing. Beslissing De rechtbank verklaart het beklag ongegrond. Deze beslissing is gegeven door mr. M.A.E Somsen, rechter, in tegenwoordigheid van A. Gordon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2023. Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de beklager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien

(14)dagen na betekening van deze beslissing.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.