vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel zaaknummer / rolnummer: C/13/731103 / KG ZA 23-215 MDvH/MvG Vonnis in kort geding van 14 april 2023 in de zaak van 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DE LELIE VASTGOED B.V., gevestigd te Bussum, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AMRÃTH HOTELS & RESTAURANTS B.V., gevestigd te Maastricht, 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AMRÃTH HOTEL JAARBEURS UTRECHT B.V., gevestigd te Utrecht, eiseressen bij dagvaarding van 4 april 2023, advocaten mr. B.W. Brouwer en mr. A.A.H. Kalter te Amsterdam, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BALLAST NEDAM BOUW & ONTWIKKELING SPECIALE PROJECTEN B.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde, advocaat mr. J.O. Berlage te Amsterdam. Partijen zullen hierna DLV, Amrãth Hotels, Amrãth Jaarbeurs en Ballast Nedam worden genoemd. 1De procedure 1.1. Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 12 april 2023 hebben DLV, Amrãth Hotels en Amrãth Jaarbeurs de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding en de akte eiswijziging toegelicht. Ballast Nedam heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnotitie in het geding gebracht. 1.2. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig: - aan de zijde van DLV, Amrãth Hotels en Amrãth Jaarbeurs: [naam 1] , bestuurder, [naam 2] , commissaris, [naam 3] , bouwdirector, [naam 4] , CFO, met mr. Brouwer en mr. Kalter; - aan de zijde van Ballast Nedam: [naam 5] , lid Raad van Bestuur, [naam 6] , projectdirecteur, met mr. J.O. Berlage en mr. K. Achtioui. 1.3. Ballast Nedam heeft bezwaar gemaakt tegen een deel van de door DLV, Amrãth Hotels, Amrãth Jaarbeurs ingediende nadere producties, omdat deze in strijd zouden zijn met de waarheid. DLV, Amrãth Hotels, Amrãth Jaarbeurs hebben hiertegen aangevoerd dat de stukken niet in strijd zijn met de waarheid en tijdig, dat wil zeggen 24 uur voor de zitting, zijn ingediend. Geoordeeld wordt dat de stukken tot het geding worden toegelaten omdat die tijdig zijn ingediend. Of stukken al dan niet in strijd zijn met de waarheid, is op zich geen reden om die niet tot de procedure toe te laten, waarbij uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat in het kader van dit kort geding daarover geen oordeel wordt gegeven. 1.4. Vonnis is bepaald op heden. 2De feiten 2.1. DLV en Ballast Nedam hebben op 14 september 2018 een aannemingsovereenkomst gesloten – in nevenaanneming met derden (waaronder Homij Technische Installaties B.V., hierna: Homij) – voor de ontwikkeling en realisatie van een hotelwoontoren (de Galaxy Tower) aan het Jaarbeursplein in Utrecht. De uiteindelijke afnemers van de Galaxy Tower zijn (eiseres sub 3) Amrâth Jaarbeurs (voor het hotel) en Stichting Pensioenfonds Rail & Openbaar Vervoer (ROV) (voor de appartementen). In de aannemingsovereenkomst is een aanneemsom overeengekomen van € 71.150.000,00 en een opleverdatum van 8 juni 2021. Daarnaast hebben partijen op 13 april 2018 een meerpartijenovereenkomst gesloten (de MPO), waarbij ook Homij partij is. 2.2. De bouw van de Galaxy Tower heeft een aanzienlijke vertraging opgelopen. Tussen partijen is in geschil aan wie dat te wijten is en wie daarvan de financiële gevolgen dient te dragen. Daarover is in de loop der jaren al een flink aantal procedures (in kort geding) gevoerd. Ballast Nedam wijt de vertraging geheel aan DLV en is bij deze rechtbank een bodemprocedure gestart waarin zij aanvankelijk bouwtijdverlenging en vergoeding van vertragingsschade vorderde (ruim € 25 miljoen). DLV betwist verantwoordelijk te zijn voor de gehele vertraging en vordert in reconventie van Ballast Nedam vergoeding van de door haar daadwerkelijk geleden schade (ruim € 27 miljoen). Naast deze vertragingsdiscussie zijn partijen verdeeld over de vraag of DLV jegens Ballast Nedam aan haar betalingsverplichtingen voldoet. Ballast Nedam meent onder andere dat DLV de overeengekomen termijnen niet (volledig) heeft betaald. 2.3. Partijen hebben voor de vertragingsschade over en weer ten laste van elkaar conservatoire beslagen gelegd. DLV voor een bedrag van € 26.681.600,00 en Ballast Nedam voor een bedrag van in totaal € 25.637.275,30. De door DLV ten laste van Ballast Nedam gelegde beslagen zijn opgeheven nadat Ballast Nedam een bankgarantie had gesteld. Daarnaast heeft DLV de door Ballast Nedam verstrekte bankgarantie van € 3.625.000,00 getrokken en het contractuele kortingsbedrag van € 1 miljoen voor late oplevering ingehouden op de termijnen van de aanneemsom. 2.4. Ballast Nedam heeft enkele keren de werkzaamheden opgeschort, de voorlaatste keer eind 2022. Op 19 oktober 2022 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank Ballast Nedam veroordeeld om binnen 24 uur na betekening van het vonnis de schorsing van haar werkzaamheden op te heffen, de uitoefening van haar retentierecht te staken en haar werkzaamheden te hervatten. 2.5. Het gerechtshof Amsterdam heeft (in ‘turbo-spoedappel’) het vonnis van de voorzieningenrechter (deels) vernietigd en bij mondeling arrest van 9 november 2022 (hierna: het arrest), voor zover van belang, als volgt overwogen en geoordeeld: “(…) 4. Een maatregel in kort geding is in beginsel een ordemaatregel. Gelet op de ontstane patstelling zijn partijen erbij gebaat dat het hof hen in deze uitspraak een richtsnoer geeft hoe zij zich vanaf heden tot aan de oplevering tegenover elkaar hebben te gedragen. De door het hof gestelde voorwaarden zien hierop. (…) 6. Het door Ballast gestelde verzuim van DLV is onder meer gebaseerd op het (geheel of gedeeltelijk) onbetaald laten van een groot aantal door DLV verschuldigde termijnen. DLV betwist dat er een achterstand is. (…) Zij betaalt (…) ‘noodgedwongen’ naar de stand van het werk (…). Ballast heeft zich primair beroepen op het termijnschema van 3 november 2021. (…) 7. Tijdens de zitting is voldoende aannemelijk geworden dat DLV zich bij haar betalingen baseert op de voor haar zichtbare bouwvooruitgang, zoals vastgesteld door haar eigen bouwdirectie. Ballast heeft ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat deze werkwijze hoe dan ook niet conform de overeenkomst is, omdat hierbij door DLV geen rekening wordt gehouden met niet zichtbare kosten (…). Daarnaast heeft DLV onvoldoende weersproken dat zij een stelpost van € 2 miljoen in mindering heeft gebracht op de verschuldigde termijnen, terwijl het hier minderwerk betreft dat pas bij oplevering verrekend mag worden. Hiermee staat voldoende vast dat DLV op dit punt in verzuim is. (…) 8. Ballast heeft daarnaast naar voren gebracht dat DLV ten onrechte heeft verrekend met de contractuele korting wegens te late oplevering van maximaal € 1 miljoen en de bankgarantie van € 3.625.000 ten onrechte heeft gelicht; dit terwijl DLV op haar beurt niet bereid is haar aandeel in de vertragingsschade (juli-november 2019) nu al te betalen. (…) Naar het voorlopig oordeel van het hof past deze handelwijze van DLV niet bij de redelijkheid die partijen tegenover elkaar in acht moeten nemen. (….) 9. Dit alles leidt tot het voorlopig oordeel dat DLV een betalingsachterstand van ten minste € 3 miljoen heeft. Dit, in combinatie met de vaststelling dat DLV al langere tijd ondanks bezwaren van Ballast zelf meent te kunnen bepalen wat zij wel of niet moet betalen en haar kennelijke voornemen hiermee door te gaan zo lang Ballast geen concrete opleverdatum heeft genoemd en partijen geen nieuw termijnschema overeen zijn gekomen, rechtvaardigt de schorsing in voldoende mate tenzij alsnog aan de door het hof hierna gestelde voorwaarden wordt voldaan. 10. Die voorwaarden zijn: 1 Betaling door DLV aan Ballast van € 3 miljoen binnen 10 dagen na heden. 2 Betaling door DLV van toekomstige maandelijkse termijnen van € 1.825.000, zolang partijen geen nieuw termijnschema zijn overeengekomen en mits Ballast haar werkzaamheden voortvarend verricht. 11. De tweede voorwaarde vloeit voort uit de tot nu toe gebleken onmacht van partijen om een nieuw termijnschema af te spreken. (…) Het hof kiest daarom voor de ordenende matregel zoals neergelegd in voorwaarde 2, te starten vanaf heden. (…)”. 2.6. Daags na het arrest heeft DLV het bedrag van € 3 miljoen aan Ballast Nedam betaald. DLV heeft echter geen enkele termijnbetaling gedaan. 2.7. Op 16 december 2022 heeft Ballast Nedam haar werkzaamheden opnieuw geschorst. 2.8. Op 17 februari 2023 heeft Ballast Nedam de aannemingsovereenkomst en de MPO buitengerechtelijk ontbonden. Ook heeft Ballast Nedam die dag aan DLV laten weten het werk in onvoltooide staat te beëindigen en haar retentierecht uit te oefenen. 2.9. Op 15 maart 2023 heeft Ballast Nedam haar eis in de bodemprocedure gewijzigd. Zij stelt in de bodemprocedure thans dat zij de aannemingsovereenkomst terecht heeft beëindigd en vordert miljoenen aan onbetaald gelaten termijnen, meerwerk, vertragingsschade etc. 2.10. Op 30 maart 2023 heeft de mondelinge behandeling in de bodemprocedure voor de meervoudige kamer van deze rechtbank plaatsgevonden, waar partijen vijf uur hebben gedebatteerd over de vorderingen over en weer. De zaak staat 17 mei 2023 voor vonnis. 2.11. Op 4 april 2023 heeft DLV vervolgens de dagvaarding uitgebracht die dit kort geding inleidt. 3. Het geschil 3.1. DLV, Amrãth Hotels en Amrãth Jaarbeurs vorderen: I. Ballast Nedam jegens DLV te veroordelen tot naleving van het arrest en Ballast Nedam in dat kader te veroordelen tot onmiddellijke hervatting van de werkzaamheden en de uitoefening van haar retentierecht op te heffen, althans deze veroordeling uit te spreken onder de door het hof in het dictum van het arrest opgenomen ontbindende voorwaarde sub 2, in beide gevallen op straffe van een dwangsom; II. Ballast Nedam jegens DLV te veroordelen tot het per direct hervatten van de bouwwerkzaamheden en deze voortvarend te verrichten, op straffe van een dwangsom; III. Ballast Nedam jegens DLV te veroordelen om over te gaan tot opheffing van het door haar toegepaste retentierecht c.q. de feitelijke toestand van de uitoefening van het retentierecht op het Project te staken en gestaakt te houden, onder meer door (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.