RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/021777-23 RK nummer: 23/222 Datum uitspraak: 21 april 2023 UITSPRAAK op de vordering van 24 januari 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 10 augustus 2022 door de advocaat-generaal van het Hof van Beroep Antwerpen (België) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB is op de zitting van 23 maart 2023 aangehouden vanwege persoonlijke omstandigheden van de raadsman. De behandeling van het EAB heeft vervolgens plaatsgevonden op de zitting van 18 april
- Het Openbaar Ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diependaal, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.K.T. Schoffelen, advocaat in Roermond. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (hierna: OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een arrest van het Hof van Beroep Antwerpen (C5 kamer) van 8 september 2021 (referentienummer: 2017/PGA/2193, griffienummer: 1192/2021). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 30 maanden. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 900 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest. Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Uit het dossier volgt echter dat de opgeëiste persoon, die op de hoogte was van het plaatsvinden van het proces in hoger beroep, gedurende dat proces is verdedigd door een advocaat die hij gemachtigd had om namens hem de verdediging te voeren. Daarmee is sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De in dat artikel bedoelde weigeringsgrond doet zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet voor. Uit aanvullende informatie namens de uitvaardigende justitiële autoriteit van 7 en 13 maart 2023 blijkt voorts dat er tegen het arrest waarvan de tenuitvoerlegging wordt verzocht, ook cassatie is ingesteld. Dit cassatieberoep is op 1 maart 2022 door het Hof van Cassatie verworpen. De cassatieprocedure is naar het oordeel van de rechtbank niet onderworpen aan de toets van artikel 12 OLW, nu – anders dan in de procedure in hoger beroep – in deze procedure blijkens de aanvullende informatie niet is geoordeeld over de schuld of straf van de opgeëiste persoon. 5Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel diefstal, meermalen gepleegd
- Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW 6.1 De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Op grond van artikel 6a OLW kan de overlevering van een Nederlander worden geweigerd, indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis (in dit geval betreft het een onherroepelijk arrest) opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. 6.2 De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in België opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. 6.3 De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. 6.4 Uit de hiervoor onder 5 weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgt. Bij de onder 5 genoemde twee kwalificaties horen namelijk strafmaxima van respectievelijk zes en vier jaar. De raadsman stelt dat de veroordeling in België alleen ziet op een feit dat naar Nederlands recht een overtreding van artikel 3 onder B van de Opiumwet oplevert. Dit zou betekenen dat de vrijheidsstraf aangepast dient te worden naar het bij dat artikel horende strafmaximum van twee jaar. De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit onderdeel e) van het EAB volgt namelijk ondubbelzinnig dat de opgeëiste persoon niet alleen veroordeeld is voor grootschalige hennepteelt in vereniging, maar ook voor de diefstal van stroom en water. Met dit oordeel volgt de rechtbank de lezing van de officier van justitie. 6.5 De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats. 6.6 De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. Zij is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid. 6.7 De rechtbank zal daarom de overlevering, overeenkomstig het standpunt van zowel de raadsman als de officier van justitie, weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen. 7Slotsom Nu is vastgesteld dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is en de rechtbank geen aanleiding ziet om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond, wordt de overlevering geweigerd onder gelijktijdige overname van de tenuitvoerlegging van de in België opgelegde vrijheidsstraf in Nederland. 8Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 47 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 2, 5, 6a en 7 van de Overleveringswet. 9Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de advocaat-generaal van het Hof van Beroep Antwerpen (België) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland. HEFT OP de geschorste overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] . BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is apart opgemaakt. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.G.M.M. van Gessel, voorzitter, mrs. M.C.M. Hamer en L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 april
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Meer specifiek volgt dit uit onderdeel d) van het EAB en uit het verhoor van de opgeëiste persoon door de officier van justitie in het kader van zijn inverzekeringstelling. Zie Hof van Justitie 10 augustus 2017, ECLI:EU:C:2017:
- Zie in dit kader ook rechtsoverweging 8.