RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/0043552-23 Datum uitspraak: 4 mei
- UITSPRAAK op de vordering van 16 februari 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 11 februari 2023 door het Amtsgericht Duisburg (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Nederland) op [geboortedag] 2001, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] , thans gedetineerd in “Pl [plaats detentie] ”, hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 april
- Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, als waarnemer voor mr. J.C. Sneep, advocaat te Breda. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een arrestatiebevel ten behoeve van de voorlopige hechtenis met kenmerk 901 Gs 58/23, uitgevaardigd door het Amtsgericht Duisburg op 11 februari
- De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 4Strafbaarheid Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 18, te weten: georganiseerde of gewapende diefstal. Uit het EAB en de aanvullende informatie van 4 april 2023 volgt dat op dit feit naar Duits recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan. De Staatsanwaltschaft Duisburg heeft op 4 april 2023 de volgende garantie gegeven: “Uitlevering van de Nederlander [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 2001 in [geboorteplaats] /NL vanuit Nederland aan de Bondsrepubliek Duitsland. Er wordt toegezegd dat, de vervolgde persoon, zodra zijn vonnis definitief is in Duitsland, op basis van de toepasselijke versie van Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 betreffende de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning van strafbare feiten vervolging of tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf of vrijheidsbenemende maatregel met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB L 327 van 5.12 .2008, pagina 27) naar Nederland terug kan keren voor verdere tenuitvoerlegging." Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. De raadsman van de opgeëiste persoon verzoekt de overlevering op grond van dit artikel te weigeren, omdat het feitencomplex verbonden is met Nederland. De officier van justitie heeft de rechtbank in overweging gegeven om af te zien van de toepassing van deze weigeringsgrond. De rechtbank stelt voorop dat: - aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn; - de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. De rechtbank stelt vast dat het onderzoek in Duitsland is aangevangen en dat de bewijsmiddelen zich in Duitsland bevinden. Het Openbaar Ministerie in Nederland is bovendien niet voornemens om de vervolging over te nemen, zoals de officier van justitie heeft meegedeeld. Het gegeven dat het feit geacht wordt gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd vormt daarom onvoldoende aanleiding om deze weigeringsgrond toe te passen. 7Evenredigheid De raadsman heeft betoogd dat de uitvaardiging van het EAB niet evenredig is, gelet op de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon. Hij draagt de zorg voor zijn zieke broer en dit kan niet door iemand anders worden overgenomen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitvaardiging van het EAB evenredig is en dat geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die maken dat de tenuitvoerlegging van het EAB onevenredig zou zijn. De rechtbank overweegt in lijn met eerdere uitspraken van deze rechtbank dat voor de vraag of sprake is van (on)evenredigheid van de overlevering een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de zogenoemde stelselevenredigheid van de OLW en de evenredigheid in een concreet geval. Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken. Uit het stelsel van overlevering en een kaderbesluitconforme uitleg volgt dat een evenredigheidsafweging in beginsel is ingebed in de afweging tot uitvaardiging van een EAB. De Duitse rechter heeft in deze zaak de afweging gemaakt om een EAB uit te vaardigen. Hiermee is de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB gegeven. Onder uitzonderlijke omstandigheden kan de tenuitvoerlegging van het EAB onevenredig geacht worden. Hetgeen de raadsman hierover heeft aangevoerd is daarvoor echter onvoldoende. 8Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 9Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW. 10Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Duisburg voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Mourik, voorzitter, mrs. M.E.M. James-Pater en B. Yesilgöz, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.D. Dijkstra, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 mei
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank van 1 maart 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ3203.
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.