← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2023:2889

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13.751380-19 (EAB III) RK nummer: 19/2837 Datum uitspraak: 20 april 2023 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW) ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 mei 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 5 februari 2019 door the Regional Court in Gdańsk (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang Ten aanzien van de procesgang verwijst de rechtbank naar de overwegingen uit haar tussenuitspraak van 22 april

  1. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. De behandeling van de vordering is op 20 mei 2021 hervat. De behandeling is vervolgens voor onbepaalde tijd geschorst, onder meer omdat de in de tussenuitspraak gestelde vragen nog niet waren beantwoord. Tevens heeft de rechtbank de overleveringsdetentie onder voorwaarden geschorst. De behandeling van de vordering is met instemming van de officier van justitie in gewijzigde samenstelling hervat op de openbare zitting van 20 april
  2. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is in strijd met de schorsingsvoorwaarden niet ter zitting verschenen. Zijn raadsman, mr. B. Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, is - na de rechtbank hiervan voorafgaand aan de zitting in kennis te hebben gesteld - evenmin verschenen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft. 3Tussenuitspraak De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraken van 10 september 2019 en 20 april
  3. Hierin heeft de rechtbank de grondslag van het EAB en de inhoud van het EAB en de dubbele strafbaarheid al beoordeeld. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. 4Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij in Polen gevaar loopt geen eerlijk proces te krijgen voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld, heeft de opgeëiste persoon brieven van (beweerdelijk) het Poolse Ministerie van Justitie overgelegd waaruit de inmenging van de Poolse overheid in zijn strafzaak zou blijken. Twee van deze brieven zijn door de Poolse autoriteiten onderzocht. Na analyse en verificatie van de authenticiteit van de stukken, is gebleken dat die brieven niet echt zijn, en niet afkomstig zijn van het Poolse Ministerie van Justitie. De brieven zijn niet ondertekend door de daarop vermelde personen. Verder heeft de opgeëiste persoon geen andere elementen aangevoerd waaruit blijkt dat de structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak. Er is dan ook niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg. 5Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 6Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 47 en 420bis Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. 7Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Gdańsk, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Mourik, voorzitter, mrs. M.E.M. James-Pater en B. Yesilgöz, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.D. Dijkstra, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 april
  4. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. ECLI:NL:RBAMS:2021:
  5. ECLI:NL:RBAMS:2019:
  6. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.
  7. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.