RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/043475-23 Datum uitspraak: 19 april 2023 UITSPRAAK op de vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank van 17 februari 2023 tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 11 februari 2023 door het Amtsgericht Duisburg, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] , gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [P.I.] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 5 april
- Het Openbaar Ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.P Sholeh, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om ter zitting te worden gehoord en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. O.F. Qane, namens zijn kantoorgenoot mr. J.L. L’Homme, beiden advocaat in Amsterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een arrestatiebevel van het Amtsgericht Duisburg van 11 februari 2023, met kenmerk: 901 Gs 58/
- De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 3.1 Genoegzaamheid De raadsman vindt dat het EAB niet genoegzaam is, omdat niet duidelijk is welke rol en betrokkenheid de opgeëiste persoon bij het strafbare feit zou hebben gehad. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. Het betreft een vervolgings-EAB ten behoeve van een lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze rol van de opgeëiste persoon zal later in Duitsland moeten worden uitgezocht. In dit stadium is het voor de opgeëiste persoon voldoende duidelijk voor welk feit de overlevering wordt gevraagd. De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat aan de hiervoor genoemde eisen is voldaan bij dit vervolgings-EAB. Het is voor de opgeëiste persoon voldoende duidelijk voor welk feit de overlevering wordt verzocht en dat hij – kort gezegd – als medeplichtig aan een zogenaamde plofkraak op 10 februari 2023 in Mülheim an der Ruhr wordt aangemerkt. Dit betekent dat het verweer van de raadsman wordt verworpen. 4Strafbaarheid Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 18, te weten: georganiseerde of gewapende diefstal. Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5Onschuldverweer De raadsman heeft ter zitting opgemerkt dat de opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan het feit. Hij heeft dit, anders dan de OLW vereist, niet tijdens het verhoor ter zitting aangetoond. De onschuldbewering leidt alleen om die reden al niet tot weigering van de overlevering. 6De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, hij deze straf in Nederland mag ondergaan. De Leitende Oberstaatsanwältin in Duisburg heeft op 27 maart 2023 de volgende garantie gegeven: “European Arrest Warrant concerning [opgeëiste persoon] , born on [geboortedag] 2022, issued on 11th February 2023 (…) It is assured that in the event of a final conviction of the prosecuted person in the Federal Republic of Germany on the basis of the applicable version of the Council Framework Decision 2008/909/HA of 27th November 2008 about the application of the principle of mutual recognition in judgements in criminal matter in which a custodial sentence or measure is imposed for the purpose of its enforcement in the European Union (ABI. L 327 dated 5th December 2008, page 27) the prisoner will be returned to the Netherlands for further execution of the sentence.” Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 7Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 8Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW. 9Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Ambtsgericht Duisburg, Duitsland, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter, mrs. L. Sanders en A. Pahladsingh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.D. Dijkstra, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 april
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.) Zie onderdeel e) van het EAB. Rechtbank Amsterdam, 19 augustus 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:4340.