← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2023:3162

RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/057197-22 (Promis) Datum uitspraak: 4 mei 2023 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002, [adres]. 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 mei

  1. Verdachte was bij de behandeling van zijn strafzaak niet aanwezig. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.L. Wagenaar en van wat de raadsman mr. S.V. Ramdihal naar voren heeft gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – onder 1 ten laste gelegd dat hij zich op 14 juli 2020 in Amsterdam samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan diefstal met geweld. Subsidiair is dit ten laste gelegd als openlijke geweldpleging. Ten aanzien van feit 2 wordt verdachte verweten dat hij zich op dezelfde dag en plaats heeft schuldig gemaakt aan het (medeplegen van het) bezit van een vuurwapen van categorie II en/of categorie III. De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen als bijlage 1 bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd. 3Vrijspraak 3.
  2. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, omdat het dossier weliswaar voldoende wettig bewijs bevat maar de overtuiging ontbreekt. 3.
  3. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat het dossier onvoldoende bewijs bevat. 3.
  4. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting van oordeel dat het ten laste gelegde niet bewezen is, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor betrokkenheid van verdachte bij de hem ten laste gelegde feiten. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van beide feiten. 4Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 1750,- aan vergoeding van materiële schade en € 14.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede € 50,- aan proceskosten. De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte van het feit waarvoor vergoeding wordt gevorderd wordt vrijgesproken. De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen. 5Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in zijn vordering. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen. Dit vonnis is gewezen door mr. C.P.E. Meewisse, voorzitter, mrs. C.W. Bianchi en M. Bakhuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Buiskool, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 mei
  5. […]

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.