vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummers / rolnummers: C/13/562256 / HA ZA 14-348 (SCC I) en C/13/604492 / HA ZA 16-301 (SCC II) Vonnis van 24 mei 2023 in de zaken van de stichting STICHTING CARTEL COMPENSATION, gevestigd te Den Haag, eiseres, advocaat mr. J. van den Brande, tegen 1. de naamloze vennootschap KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te Amstelveen, advocaat mr. J.S. Kortmann, 2. de naamloze vennootschap MARTINAIR HOLLAND N.V., gevestigd te Haarlemmermeer, advocaat mr. J.S. Kortmann, 3. de rechtspersoon naar buitenlands recht DEUTSCHE LUFTHANSA A.G., gevestigd te Keulen, Duitsland, advocaat mr. P.N. Malanczuk, 4. de rechtspersoon naar buitenlands recht LUFTHANSA CARGO A.G., gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland, advocaat mr. P.N. Malanczuk, 5. de rechtspersoon naar buitenlands recht BRITISH AIRWAYS PLC., gevestigd te Harmondsworth, Verenigd Koninkrijk, advocaat mr. S.J. Thé, 6. de rechtspersoon naar buitenlands recht SOCIETE AIR FRANCE S.A., gevestigd te Tremblay en France, Frankrijk, advocaat mr. drs. D.A.M.H.W. Strik, 7. de rechtspersoon naar buitenlands recht SINGAPORE AIRLINES LIMITED, gevestigd te Singapore, Singapore, advocaat mr. I.W. VerLoren van Themaat, 8. de rechtspersoon naar buitenlands recht SINGAPORE AIRLINES CARGO PTE LTD, gevestigd te Singapore, Singapore, advocaat mr. I.W. VerLoren van Themaat, gedaagden, alsmede in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/562256 / HA ZA 14-348 (Equilib I) van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EQUILIB NETHERLANDS B.V., gevestigd te Amsterdam, eiseres, advocaat mr. M.H.J. van Maanen, tegen 1. de naamloze vennootschap KONINKLIJKE LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te Amstelveen, advocaat mr. J.S. Kortmann, 2. de naamloze vennootschap MARTINAIR HOLLAND N.V., gevestigd te Haarlemmermeer, advocaat mr. J.S. Kortmann, 3. de rechtspersoon naar buitenlands recht SOCIÉTÉ AIR FRANCE S.A., gevestigd te Tremblay en France, Frankrijk, advocaat mr. drs. D.A.M.H.W. Strik, gedaagden, en 4. de rechtspersoon naar buitenlands recht SINGAPORE AIRLINES CARGO PTE LTD, gevestigd te Singapore, Singapore, advocaat mr. I.W. VerLoren van Themaat, 5. de rechtspersoon naar buitenlands recht SINGAPORE AIRLINES LIMITED, gevestigd te Singapore, Singapore, advocaat mr. I.W. VerLoren van Themaat, 6. de rechtspersoon naar buitenlands recht LUFTHANSA CARGO A.G., gevestigd te Kelsterbach, Duitsland, advocaat mr. P.N. Malanczuk, 7. de rechtspersoon naar buitenlands recht DEUTSCHE LUFTHANSA A.G., gevestigd te Keulen, Duitsland, advocaat mr. P.N. Malanczuk, 8. de rechtspersoon naar buitenlands recht SWISS INTERNATIONAL AIR LINES A.G., gevestigd te Basel, Zwitserland, advocaat mr. P.N. Malanczuk, 9. de rechtspersoon naar buitenlands recht BRITISH AIRWAYS PLC, gevestigd te Harmondsworth, Verenigd Koninkrijk, advocaat mr. S.J. Thé, 10. de rechtspersoon naar buitenlands recht AIR CANADA, gevestigd te Saint Laurent, Canada, advocaat mr. K.A.J. Bisschop, 11. de rechtspersoon naar buitenlands recht CATHAY PACIFIC AIRWAYS LIMITED, gevestigd te Hong Kong, China, advocaat mr. Ph.W.M. ter Burg, 12. de rechtspersoon naar buitenlands recht SAS A.B., gevestigd te Stockholm, Zweden, advocaat mr. W. Heemskerk, 13. de rechtspersoon naar buitenlands recht SCANDINAVIAN AIRLINES SYSTEM DENMARK-NORWAY-SWEDEN, gevestigd te Stockholm, Zweden, advocaat mr. W. Heemskerk, 14. de rechtspersoon naar buitenlands recht SAS CARGO GROUP A/S, gevestigd te Stockholm, Zweden, advocaat mr. W. Heemskerk, gevoegde partijen, en in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/561169 / HA ZA 14-283 (Equilib II) de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EQUILIB NETHERLANDS B.V., gevestigd te Amsterdam, advocaat: mr. M.H.J. van Maanen, eiseres, tegen 1. de naamloze vennootschap KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te Amstelveen, advocaat mr. J.S. Kortmann, 2. de naamloze vennootschap MARTINAIR HOLLAND N.V., gevestigd te Haarlemmermeer, advocaat mr. J.S. Kortmann, 3. de rechtspersoon naar buitenlands recht SOCIÉTÉ AIR FRANCE S.A., gevestigd te Tremblay en France, Frankrijk, advocaat mr. dr. D.A.M.H.W. Strik; 4. de rechtspersoon naar buitenlands recht LUFTHANSA CARGO A.G., gevestigd te Kelsterbach, Duitsland, advocaat mr. P.N. Malanczuk, 5. de rechtspersoon naar buitenlands recht DEUTSCHE LUFTHANSA A.G., gevestigd te Keulen, Duitsland, advocaat mr. P.N. Malanczuk, 6. de rechtspersoon naar buitenlands recht BRITISH AIRWAYS PLC., gevestigd te Harmondsworth, Verenigd Koninkrijk, advocaat mr. S.J. Thé, gedaagden. Eiseressen zullen hierna SCC en Equilib worden genoemd. Gedaagden (en gevoegde partijen) zullen hierna gezamenlijk de luchtvaartmaatschappijen worden genoemd. 1De procedures vanaf het tussenvonnis van 11 september 2019 1.1. Voor de overzichtelijkheid heeft de rechtbank hierna de chronologische procedurele gang van zaken in alle zaken samengevat vanaf het tussenvonnis van 11 september 2019, voor zover hier relevant. De hierna genoemde processtukken/proceshandelingen behoren alleen tot het procesdossier van de zaak/zaken waarin zij zijn genomen/verricht. 1.2. Bij tussenvonnis van 11 september 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:9965) is, voor zover thans van belang, het volgende overwogen: “(…) 4.2. Nu thans de kern van de zaak aan de orde is – de (aan Equilib en SCC gecedeerde) schadevergoedingsvorderingen – ligt het in de rede om het Nederlands procesrecht (weer) te volgen, te beginnen met de regels over stelplicht en bewijslast, neergelegd in artikelen 149 en 150 Rv. De uit die artikelen voortvloeiende stelplicht brengt mee dat de eisende partij alle feiten dient te stellen die benodigd zijn voor het intreden van het door haar beoogde rechtsgevolg. Dit brengt mee dat bij aanvang van de procedure, in de dagvaarding, alle feitelijke elementen moeten worden aangevoerd die op basis van de wet nodig zijn voor de toewijzing van de vordering. Die feitelijke elementen moeten ook worden geconcretiseerd; met algemeenheden kan niet worden volstaan. Wel is er ruimte om in een latere fase van de procedure – nadat ook het verweer bekend is geworden – de feiten nader te concretiseren, aan te vullen en, zo nodig, (nader) te onderbouwen. Wanneer niet is voldaan aan de stelplicht, kan reeds op die grond de vordering worden afgewezen. (…) 4.4. Bij de beoordeling mag in dit verband voorts niet uit het oog worden verloren dat de vorderingen van Equilib en SCC rechtens niets anders zijn dan de verzamelde vorderingen van ieder van de shippers/cedenten. Er is geen sprake van een collectieve actie door een belangenorganisatie op de voet van artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Een litigation vehicle als zodanig heeft geen (bijzondere) positie in het Nederlands procesrecht. 4.5. Dit alles brengt met zich dat Equilib en SCC per shipper/cedent aan de stelplicht zullen moeten voldoen. 4.6. De rechtbank verwijst naar het vonnis van deze rechtbank van 15 mei 2019 over de stelplicht van litigation vehicles in diverse tegen truckfabrikanten aangespannen zaken (ECLI:NL:RBAMS:2019:3574) en naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 februari 2019 over de stelplicht van een litigation vehicle (EWD) in het liftenkartel (ECLI:NL:GHARL:2019:1060). In dat arrest heeft het hof, voor zover van belang, het volgende overwogen: “(…) 5.20. (…) Al met al vormen (concrete gegevens over) de contracten in deze zaak een onmisbare bouwsteen voor (de feitelijke grondslag van) het conditio sine qua non-verband (…) als ook voor het bestaan (en de omvang) van schade aan de zijde van (ieder van) de achterliggende partijen. Door de desbetreffende informatie niet, althans niet ordentelijk, in het geding te brengen heeft EWD nagelaten een voldoende adequaat partijdebat en daarop volgend rechterlijk oordeel mogelijk te maken. (…) 5.23. In hoger beroep heeft EWD (…) op een elektronische gegevensdrager ‘de onderliggende bescheiden en gegevens’ in het geding gebracht, ‘waaruit van de omvang van de bestedingen van de Zorginstellingen blijkt.’ Deze documenten met een omvang van ca. 15.000 pagina’s zijn ongesorteerd en door EWD niet van enige toelichting voorzien. Voorkomende bedragen zijn niet gerelateerd aan overeenkomsten. Daarmee worden de hiaten die EWD ten opzichte van haar stelplicht deed ontstaan (zie ook hiervoor onder 5.22) geenszins opgelost. 5.24. Het hof deelt, samengevat, de visie van geïntimeerden en de rechtbank dat procederen op deze wijze, hoezeer ook wenselijk is dat gedupeerden van een kartel worden gecompenseerd, niet mogelijk is. (…)” 4.7. Ook de rechtbank Rotterdam heeft onlangs in het liftenkartel een uitspraak gedaan over de stelplicht van een litigation vehicle (rechtbank Rotterdam 29 mei 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:4441). 4.8. Tot nu toe hebben Equilib en SCC slechts gesteld dat zij vorderingen hebben overgenomen van de shippers vermeld op door hen overgelegde lijsten (in het geval van Equilib: annexen en in het geval van SCC: productie 56 bij antwoordakte rechtsgeldigheid cessies, tevens akte houdende vermindering van de grondslag van de eis) die luchtvrachtvervoer zouden hebben afgenomen. Een nadere onderbouwing en specificatie van die vorderingen (of luchtvrachtdiensten) hebben Equilib en SCC nog niet gegeven. De enige nadere specificatie die Equilib heeft gegeven betreft de matrix die Equilib op 4 november 2015 in het geding heeft gebracht met daarin een overzicht van de top 10 routes per jaar en per land. SCC heeft in de inleidende dagvaarding (en thans in haar aktes) een kwantificatie gegeven van het luchtvrachtvervoer dat de shippers/cedenten zouden hebben afgenomen, maar zij heeft (nog) geen enkel inzicht gegeven in de onderbouwing daarvan. SCC heeft slechts foto’s van mappen met airwaybills in het geding gebracht. 4.9. In lijn met wat de rechtbank ook in haar vonnissen van 25 maart 2015 en 22 juli 2015 reeds heeft aangekondigd en de hiervoor onder 4.6 en 4.7 genoemde uitspraken van deze rechtbank, het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en de rechtbank Rotterdam in andere kartelschadezaken, moet worden geoordeeld dat thans het moment is aangebroken dat Equilib en SCC de (door de shippers aan hen gecedeerde) vorderingen nader met stukken zullen moeten onderbouwen, althans relevante data betreffende de aan de vorderingen ten grondslag liggende vluchten/transacties in het geding moeten brengen. Het is aan Equilib en SCC om aan deze onderbouwing van hun vorderingen nader invulling te geven. Anders dan de luchtvaartmaatschappijen lijken te stellen, bestaat er (naar Nederlands (proces)recht) geen grondslag om Equilib en SCC te verplichten alle categorieën van gegevens die vermeld zijn op de in de Engelse procedure opgestelde ‘Scott Schedules’ te verstrekken of om Equilib en SCC anderszins op te dragen hoe zij invulling moet geven aan hun verplichting hun vorderingen voldoende te onderbouwen. (…) 4.11. Met de luchtvaartmaatschappijen is de rechtbank van oordeel dat de stelplicht van Equilib en SCC zich tevens uitstrekt tot de – door hen gestelde en aan hun vorderingen ten grondslag liggende – upstream pass on (de stelling dat de freight forwarders de toeslagen (volledig) aan de shippers hebben doorberekend). Equilib en SCC beroepen zich immers op het rechtsgevolg van deze doorberekening en moeten op de voet van artikel 150 Rv deze stelling onderbouwen en zo nodig bewijzen. Ook deze onderbouwing zullen Equilib en SCC in dit stadium van de procedure derhalve moeten geven. Indien SCC, zoals zij in haar akte van 12 juni 2019 lijkt te stellen, van mening is dat zij deze stelling reeds in de dagvaarding voldoende heeft onderbouwd, kan zij volstaan met een herhaling van haar stellingen op dit punt in de dagvaarding. (…)”. 1.3. SCC en Equilib hebben op 23 oktober 2019 respectievelijk 6 november 2019 een akte overlegging producties genomen ter nadere onderbouwing van hun stelplicht. 1.4. SCC heeft op 22 april 2020 een akte vermeerdering eis met producties ingediend. Daarop hebben de luchtvaartmaatschappijen bij akte van 6 mei 2020 gereageerd. 1.5. Op 9 juni 2020 heeft een regiezitting plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. Op die zitting zijn de in het proces-verbaal genoemde aktes overlegging producties door de luchtvaartmaatschappijen genomen en een akte van SCC met een reactie daarop. De rechtbank heeft op 9 juni 2020 onder meer beslist dat het nu aan de luchtvaartmaatschappijen was om te reageren op de gegevens die SCC en Equilib in het geding hadden gebracht. Verder heeft de rechtbank tijdens die zitting voorgesteld dat de deskundigen van partijen in overleg zouden treden om te onderzoeken of zij het eens konden worden over de methode om de overcharge te berekenen alsmede over welke data en informatie daarvoor nodig zouden zijn. 1.6. De luchtvaartmaatschappijen hebben daarop gereageerd bij antwoordakte verstrekte gegevens van 16 december 2020, met als productie een rapport van de Berkeley Research Group (BRG). Eveneens op 16 december 2020 hebben partijen gezamenlijk een agree/disagree document van hun deskundigen over de berekening van de overcharge in het geding gebracht. 1.7. Op 11 februari 2021 heeft wederom een regiezitting plaatsgevonden. Daarin zijn de onderwerpen overcharge en volume of commerce (VoC) niet aan de orde gekomen. Om inzicht te verkrijgen in wat er aan de zijde van SCC en Equilib aan data, informatie en verdere onderbouwing beschikbaar is en om te bepalen van welke cedenten de vorderingen reeds bij gebrek aan onderbouwing moeten afvallen voor het vervolg van de procedures, heeft de rechtbank op de voet van artikel 22 Rv SCC en Equilib opgedragen hun vorderingen voor iedere shipper nader te onderbouwen. Het proces-verbaal van die zitting luidt, voor zover hier relevant (onderstrepingen, rb): “(…) 2.1. De rechtbank beslist dat per shipper duidelijk moet zijn dat zij ten minste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen tijdens de relevante periode. Shippers voor wie dat niet het geval is, zouden volgens de rechtbank bij gebrek aan onderbouwing af moeten vallen in deze procedure. 2.2. Dat betekent dat de rechtbank SCC en Equilib op de voet van artikel 22 Rv opdraagt voor iedere shipper (dat wil zeggen voor iedere rechtspersoon waarvan SCC of Equilib stelt dat deze één of meer vorderingen, direct of indirect, aan SCC respectievelijk Equilib heeft gecedeerd) een ultieme onderbouwingspoging te doen. SCC en Equilib nemen daarbij per shipper ten minste één luchtvrachtvervoersdienst die is afgenomen in de relevante periode, welke luchtvrachtvervoersdienst zij naar beste vermogen zo goed mogelijk zullen onderbouwen. De rechtbank geeft aan deze best effort van SCC en Equilib voor iedere shipper dient te zien op zowel het feit (
- i)dat er een luchtvrachtvervoersdienst is afgenomen als (
- ii)dat die luchtvrachtdienst is afgenomen, al dan niet indirect via een freight forwarder, door een shipper die tevens als rechtspersoon cedent is. 2.3. De rechtbank geeft aan dat zij SCC en Equilib hierom vraagt, omdat de rechtbank inzicht wil krijgen in wat er aan de zijde van SCC en Equilib aan data, informatie en verdere onderbouwing beschikbaar is. Bij de rechtbank ontbreekt dit inzicht nu nog in belangrijke mate en zij is daardoor niet goed in staat het vervolg van de procedure in goede banen te leiden en aldus de goede procesorde te bewaken. 2.4. Het heeft de voorkeur van de luchtvaartmaatschappijen en de rechtbank dat SCC en Equilib, indien zij air waybills overleggen in het kader van hun onderbouwing, zij – daar waar mogelijk – air waybills overleggen die zien op luchtvrachtvervoersdiensten die zijn uitgevoerd door luchtvaartmaatschappijen van die data in de BRG Database is opgenomen. (…) 2.8. Zodra is vastgesteld welke shippers ten minste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen tijdens de relevante periode (en dus vooralsnog ‘mee blijven doen’ in deze procedures, althans vooralsnog ‘niet afvallen’), kan het debat over de overige door die shippers aan hun vorderingen ten grondslag gelegde luchtvrachtvervoersdiensten, de (juridische) onderbouwing daarvan en de daaraan verbonden VoC (en de daarbij te hanteren methodologie en de daarvoor benodigde informatie) worden voortgezet. Waar nodig zullen de deskundigen van partijen daarbij worden betrokken. (…).” 1.8. SCC en Equilib hebben bij aktes uitlating ex art. 22 Rv van 15 september 2021 toegelicht dat volgens hen iedere shipper in de relevante periode een luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen en nadere informatie verstrekt. De luchtvaartmaatschappijen hebben bij antwoordakte bevel art. 22 Rv van 23 februari 2022 daarop gereageerd en bij akte overlegging producties van 25 maart 2022 zich uitgelaten over wat er uit de BRG Database zou blijken. 1.9. Op 4 april 2022 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Alle partijen hebben op die datum ook een akte overlegging producties genomen. In het proces-verbaal van die zitting is het volgende opgenomen, voor zover hier relevant: “(…) Spoor 1: partijen worden in de gelegenheid gesteld om een korte re- en dupliek te nemen op de aktes van de luchtvaartmaatschappijen van 23 februari en 25 maart 2022, over de onderbouwing dat per cedent tenminste één luchtvrachtvervoersdienst is afgenomen in de relevante periode. (…)” 1.10. SCC en Equilib hebben vervolgens op 1 juni 2022 een akte van repliek genomen en de luchtvaartmaatschappijen op 31 augustus 2022 een akte van dupliek. 1.11. SCC en Equilib hebben op 28 september 2022 een akte van repliek met producties over de VoC genomen en de luchtvaartmaatschappijen op 21 december 2022 een akte van dupliek. 1.12. In dit (tussen)vonnis zal de rechtbank beslissen voor (de vorderingen van) welke achterliggende partijen de procedures zullen worden voortgezet en welke achterliggende partijen zullen moeten afvallen. 2Het toetsingskader 2.1. Ingevolge het tussenvonnis van 11 september 2019 en de procedurele beslissingen van de rechtbank die zijn vastgelegd in de processen-verbaal van de regiezittingen van 11 februari 2021 en 4 april 2022 (zie hiervoor onder 1.7 en 1.9) is aan SCC en Equilib op de voet van artikel 22 Rv opgedragen voor iedere achterliggende partij (dat wil zeggen voor iedere rechtspersoon waarvan SCC en Equilib stellen dat deze een of meer (schade)vorderingen, direct of indirect, aan Equilib respectievelijk SCC heeft gecedeerd) te onderbouwen dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. De rechtbank heeft dit een “ultieme onderbouwingspoging” genoemd. Per achterliggende partij 2.2. SCC en Equilib hebben – op verschillende gronden – bestreden dat het nodig is om aan te tonen dat elke achterliggende partij luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen. Zij menen dat zij kunnen volstaan met de stelling (en onderbouwing) dat de groep (het concern) waartoe de achterliggende partij behoort, luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen. Equilib doet dit met een beroep op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) van 12 december 2019 (Otis) en SCC onder verwijzing naar het Europeesrechtelijke begrip ‘onderneming’. Het betoog van zowel Equilib als SCC gaat niet op. Dit wordt als volgt toegelicht. Otis-arrest 2.3. Equilib stelt dat het HvJ in het Otis-arrest heeft beslist dat de kring van schadelijdende partijen jegens wie de ondernemingen aansprakelijk zijn, niet is beperkt tot degenen die op de relevante markt producten of diensten hebben afgenomen, zolang er maar causaal verband is tussen de inbreuk en de schade. Equilib verwijst hiertoe naar de volgende overwegingen in het arrest: “27. Het is eveneens van belang te benadrukken dat, zoals ook de advocaat-generaal in punt 78 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, zowel het waarborgen van de volle werking en het nuttig effect van artikel 101 VWEU als de doeltreffende bescherming tegen de nadelige gevolgen van een inbreuk op de mededingingsregels aanzienlijk zou worden aangetast, als de mogelijkheid om vergoeding te vorderen van schade die door een kartel is ontstaan beperkt zou zijn tot leveranciers of afnemers op de door het kartel beïnvloede markt. Hierdoor zouden immers potentiële slachtoffers op voorhand worden uitgesloten van de mogelijkheid om schadevergoeding te vorderen. (…) 29. Verzoeksters in het hoofgeding betwisten echter in essentie het recht van het Land Oberösterreich om vergoeding te vorderen van de schade die het geleden zou hebben, op grond dat die schade niet voldoende verband houdt met de beschermingsdoelstelling van artikel 101 VWEU en dus als zodanig niet voor vergoeding in aanmerking kan komen. 30. Zoals evenwel blijkt uit de punten 22 tot en met 25, 26 en 27 van het onderhavige arrest, moet alle schade die in causaal verband met een inbreuk op artikel 101 VWEU staat in aanmerking kunnen komen voor vergoeding teneinde de doeltreffende toepassing van artikel 101 VWEU te verzekeren en het nuttig effect van deze bepaling te handhaven. 31. Zoals ook de advocaat-generaal in punt 84 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, is het in dit verband niet nodig dat de door de betrokken persoon geleden schade daarenboven een specifiek verband vertoont met de door artikel 101 VWEU nagestreefde „beschermingsdoelstelling”, omdat de karteldeelnemers anders niet gehouden zouden zijn om alle schade te vergoeden die zij hebben kunnen veroorzaken.” Deze overwegingen kunnen Equilib niet baten. Equilib stelt dat ‘haar’ achterliggende partijen luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen. Zij stelt niet dat de achterliggende partijen anderszins schade hebben geleden als gevolg van het kartel. De overwegingen in het Otis-arrest zien op die situatie. Het Land Oberösterreich stelde immers dat het geen schade heeft geleden als directe of indirecte afnemer van de producten waarop het betrokken kartel betrekking had, maar in de hoedanigheid van subsidieverstrekker. Equilib stelt dat elke achterliggende partij een luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. Dat zal zij dan ook moeten onderbouwen. Dit geldt ook voor achterliggende partijen die onderdeel zijn van een concern (groep). Ook voor die achterliggende partijen zal Equilib moeten onderbouwen dat een luchtvrachtdienst daadwerkelijk door de betrokken achterliggende partij is afgenomen. Anders dan Equilib stelt, is er – zonder nadere toelichting (die ontbreekt) – geen enkele reden om aan te nemen dat "bijvoorbeeld moedervennootschappen van dochterondernemingen die luchtvrachtvervoersdiensten hebben ingekocht, ook zelf daardoor schade hebben geleden die voor vergoeding in aanmerking komt". Equilib heeft onvoldoende gesteld ten aanzien van (de feitelijke grondslag van) dergelijke schade en stelt bovendien louter dat die "niet valt uit te sluiten". Equilib heeft daarmee onvoldoende toegelicht dat (afgeleide) schade van andere rechtspersonen (groepsvennootschappen) dan afnemers van luchtvrachtvervoersdiensten eveneens onderdeel is van de door haar ingestelde (gecedeerde) vorderingen. Europeesrechtelijk begrip ‘onderneming’ 2.4. SCC heeft met een beroep op het Europeesrechtelijke begrip ‘onderneming’ aangevoerd dat het niet nodig is om binnen een groep achterliggende partijen een individuele rechtspersoon aan te wijzen die de luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. Zoals gezegd gaat ook dit niet op. Uit het feit dat het (Europeesrechtelijke) kartelverbod zich richt tot ondernemingen, en dat in verband daarmee onder bepaalde omstandigheden aan rechtspersonen die tot dezelfde ‘onderneming’ (groep) behoren een boete kan worden opgelegd in verband met elkaars mededingingsbeperkende gedragingen, volgt immers niet dat een ‘onderneming’ als zodanig naar Nederlands recht ook aanspraak kan maken op schadevergoeding wegens een overtreding van het (Europeesrechtelijke of Nederlandse) kartelverbod. Het Europese mededingingsrechtelijke ondernemingsbegrip ziet, zoals door de luchtvaartmaatschappijen terecht is opgemerkt, op de onderneming als normadressaat, maar niet als drager van privaatrechtelijke subjectieve rechten. Zelfs indien bepaalde cedenten in mededingingsrechtelijke zin tot dezelfde ‘onderneming’ zouden behoren als rechtspersonen die luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen, volgt uit het Europese mededingingsrechtelijke ondernemingsbegrip dan ook niet dat de achterliggende partij in kwestie aanspraak kan maken op vergoeding van schade die een andere tot dezelfde ‘onderneming’ behorende rechtspersoon heeft geleden. Uit het ondernemingsbegrip volgt dus ook niet dat de rechtspersoon binnen de groep die de schade daadwerkelijk zou hebben geleden niet behoeft te worden aangewezen en geen achterliggende partij hoeft te zijn, wil de vordering van SCC met betrekking tot een dergelijke achterliggende partij kunnen slagen. “Eenieder” moet schade kunnen vorderen 2.5. Ook volgens het Unierecht kan een gelaedeerde (rechts)persoon alleen vergoeding vorderen van de door hemzelf geleden schade. De door het HvJ geformuleerde regel dat “eenieder” vergoeding van zijn door een verboden kartel veroorzaakte schade kan vorderen maakt dit niet anders en het beroep dat SCC en Equilib op die regel doen kan hen dan ook niet baten. Uit de rechtspraak volgt dat “eenieder” schade kan vorderen die “hem” is berokkend door een overeenkomst of gedraging die de mededinging kan beperken of vervalsen. Ook de Kartelschaderichtlijn maakt dit duidelijk. In artikel 5 lid 1 staat: “De lidstaten zorgen ervoor dat iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die schade heeft geleden door een inbreuk op het mededingingsrecht, de mogelijkheid heeft volledige vergoeding van die schade te vorderen en te verkrijgen.” Die schadevorderingen moeten worden beoordeeld naar de in de lidstaten geldende processuele en materiële regels. AG Kokott formuleert het (onder verwijzing naar de Kartelschaderichtlijn) aldus in haar conclusie voor het Otis-arrest (randnr. 41): “Bij gebreke van Unierechtelijke regelgeving op dit gebied is het een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de regels vast te stellen voor de uitoefening van het recht om vergoeding te vorderen van schade, mits het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen. (…)”. Zij voegt daar vervolgens aan toe (randnr. 44): “(…) dat de verdeling van de bevoegdheden tussen de Unie en de lidstaten op het gebied van schadevorderingen in kartelzaken loopt langs de scheidslijn tussen het materiële recht en de processuele handhaving: de vraag naar het bestaan van de schadevergoedingsrechten (dat wil zeggen de vraag of schadevergoeding moet worden toegekend) is een zaak van het Unierecht. De regels voor de toepassing en de modaliteiten voor de concrete uitoefening van dergelijke vorderingen (dat wil zeggen de vraag hoe schadevergoeding moet worden toegekend), dus met name bevoegdheden, procedures, termijnen en bewijsvoering, zijn daarentegen een zaak van het nationale recht.” Verderop licht zij nader toe wat onder het ‘causaal verband’ wordt verstaan (randnr. 56): “Volgens de scheidingslijn tussen het materiële recht en de processuele handhaving kan het derhalve bij de “regels voor de toepassing van het begrip ‘causaal verband’”, waarvan de vaststelling volgens het Hof in het arrest Manfredi en overweging 11 van [de Kartelschaderichtlijn] een aangelegenheid is van de interne rechtsorde van elke lidstaat, slechts gaan om de modaliteiten van de feitelijke vaststelling van een causaal verband tussen het schadetoebrengende feit en de schade in het concrete geval. (…)”. Dat laatste is nu precies waar de opdracht van de rechtbank op ziet: SCC en Equilib moeten voldoende feitelijke gegevens aandragen waarmee de rechtbank kan vaststellen dat iedere achterliggende partij schade heeft geleden ten gevolge van het kartel door het afnemen van luchtvrachtvervoersdiensten, zoals zij stellen. Schatten (artikel 6:97 BW)? 2.6. SCC stelt zich op het standpunt dat zij niet per achterliggende partij hoeft te onderbouwen dat zij deze luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen, omdat de rechtbank op de voet van artikel 6:97 BW gehouden is de schade te begroten of te schatten. Dat laatste is op zich juist, maar de omstandigheid dat de rechter naar Nederlands recht de omvang van eventuele (eveneens door SCC aan te tonen) schade mag begroten, brengt geen verandering in de stelplicht en bewijslast over de aan eventuele schadebegroting voorafgaande noodzakelijke vaststelling van feiten die ten grondslag liggen aan het bestaan van een vordering. De procedures bevinden zich thans nog in deze fase: eerst zal moeten worden vastgesteld of elke achterliggende partij luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen in de relevante periode en dus (potentieel) een vordering heeft. Hetzelfde geldt voor het argument van SCC dat de deelname aan het kartel één voortdurende onrechtmatige daad is. Een partij heeft, zoals hiervoor is overwogen, immers pas een vordering uit hoofde van die onrechtmatige daad als hij kan aantonen dat hij ten gevolge van die onrechtmatige daad schade heeft gelden. Aktes van cessie 2.7. Anders dan SCC betoogt, hebben de rechtbank in het tussenvonnis van 2 augustus 2017 en het Hof Amsterdam in het tussenarrest van 10 maart 2020 inzake de rechtsgeldigheid van de cessies niet als vaststaand aangenomen dat de verklaringen in de cessiedocumentatie in het kader van de stelplicht volstaan. Integendeel, in r.o. 4.21 van het tussenvonnis staat over het bepaalbaarheidsvereiste:“(…) niet nodig [is] dat (thans
- al)kan worden vastgesteld welke shippers welke vluchten (welke routes) hebben afgenomen”. En in r.o. 4.9.3 van het tussenarrest staat: “De luchtvaartmaatschappijen betogen op zichzelf terecht dat het bepaalbaarheidsvereiste in geval van een generieke omschrijving van de vordering vereist dat aan de hand van die omschrijving op grond van andere objectieve gegevens kan worden vastgesteld welke vorderingen zijn geleverd. De omstandigheid dat deze vaststelling in dit stadium van deze complexe procedure nog niet heeft plaatsgevonden, brengt echter niet mee dat dat aan dit vereiste niet is voldaan. (…)”. BRG Database 2.8. De luchtvaartmaatschappijen hebben toegelicht dat zij voor het verifiëren van de door SCC en Equilib aangeleverde data ter onderbouwing van hun stellingen gebruik hebben gemaakt van de BRG Database. Deze BRG Database bevat voor verschillende periodes gegevens van de luchtvaartmaatschappijen waar Berkeley Research Group al over beschikte (de gegevens waren oorspronkelijk aan Berkeley Research Group verstrekt voor een ander doel dan deze procedures). De betreffende luchtvaartmaatschappijen hebben toestemming gegeven om deze gegevens te gebruiken om een beter beeld te krijgen van eventuele achterliggende partij-gerelateerde informatie die mogelijk (deels) wel aanwezig is in de BRG Database. De luchtvaartmaatschappijen hebben bij hun analyse van de door SCC en Equilib – vaak alleen op groepsniveau – overgelegde data geprobeerd de grote hoeveelheid aangeleverde gegevens met de BRG Database te koppelen. De luchtvaartmaatschappijen hebben in het voordeel van SCC en Equilib het bestaan van bepaalde luchtvrachtvervoersdiensten erkend, voor zover de door SCC en Equilib verstrekte transactiegegevens van die luchtvrachtvervoersdiensten voldoende overeenkomen met gegevens in de BRG Database. Uit de BRG Database blijkt evenwel in de meeste gevallen niet welke shipper of consignee een luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen, omdat die informatie in de regel niet is opgenomen in de administratie van de luchtvaartmaatschappijen. Uit de BRG Database blijkt in ieder geval niet aan welke partij de kosten van de luchtvrachtvervoersdienst in rekening zijn gebracht, aldus steeds de luchtvaartmaatschappijen. 2.9. Op grond van hetgeen door de luchtvaartmaatschappijen naar voren is gebracht, moet worden geoordeeld dat een ‘succesvolle match of koppeling’ van door SCC en Equilib aangeleverde data met de gegevens in de BRG Database in zijn algemeenheid niet voldoende is om aan te nemen dat een bepaalde achterliggende partij een luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen (en betaald). Dit alles nog afgezien van het feit dat het – zoals uitvoerig is overwogen in dit vonnis (en de eerdere vonnissen) – aan Equilib en SCC is om hun vorderingen te onderbouwen. 2.10. SCC stelt zich – onder verwijzing naar de ‘domeinleer’ – op het standpunt dat de luchtvaartmaatschappijen gehouden zijn om de gegevens die zijn opgenomen in de BRG Database integraal aan SCC te verstrekken. Hierin wordt SCC niet gevolgd. De informatie (data) die SCC nodig heeft om haar stellingen te onderbouwen, bevindt zich niet exclusief of bij uitstek in het domein van de luchtvaartmaatschappijen. Van de achterliggende partijen (ondernemingen) mag worden verwacht dat zij een administratie bijhouden en in staat zijn (enige) concrete gegevens te verstrekken ter onderbouwing van hun stelling dat zij luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen. SCC stelt ook, onder verwijzing naar de als producties SCCA-0256 en SCCA-0257 overgelegde getuigenverklaringen van [naam 4] en [naam 8] van Rossum du Chattel van Omni Bridgeway (de litigation funder achter SCC) dat SCC alle data en informatie met betrekking tot de relevante luchtvrachtvervoersdiensten van de ‘shippers’ heeft ontvangen. Onder die omstandigheden houdt de domeinleer niet in dat SCC, in dit stadium van de procedures en in het licht van de specifieke opdracht van de rechtbank, kan volstaan met de blote stelling dat elke achterliggende partij luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen en het vervolgens aan de luchtvaartmaatschappijen is om in hun administratie te gaan zoeken naar die luchtvrachtvervoersdiensten. Verwezen wordt naar hetgeen al is overwogen ten aanzien van de stelplicht in dit vonnis (en de eerdere vonnissen). Bovendien geldt dat de luchtvaartmaatschappijen meermaals hebben toegelicht dat in hun administratie de namen van de achterliggende partijen (de ‘shippers’) meestal niet voorkomen, omdat de meeste luchtvrachtvervoersdiensten worden afgenomen door (via) freight forwarders. De luchtvaartmaatschappijen zullen dus enige concrete aanwijzingen van de achterliggende partijen aangedragen moeten krijgen, voordat zij een koppeling met de informatie in de BRG Database kunnen maken. 2.11. De BRG Database zal – anders dan op de wijze als door de luchtvaartmaatschappijen toegelicht – geen rol spelen bij de beoordeling van hetgeen thans voorligt, zodat al hetgeen SCC en Equilib over (het gebruik van) deze database voor het overige naar voren hebben gebracht, geen bespreking behoeft. Eisen aan de onderbouwing 2.12. Duidelijk is dus dat SCC en Equilib voor iedere achterliggende partij moeten onderbouwen dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Een luchtvrachtvervoersdienst geldt bovendien in beginsel pas als afgenomen wanneer een (eventueel door een andere partij) afgenomen luchtvrachtvervoersdienst door of voor rekening van de betreffende achterliggende partij is betaald. Als dit niet het geval is, is immers geen vermogensvermindering opgetreden en is van schade dus ook geen sprake. De rechtbank heeft op de regiezitting van 11 februari 2021 uitdrukkelijk ervoor gekozen om de opdracht tot nadere onderbouwing vooralsnog te beperken tot één luchtvrachtvervoersdienst per achterliggende partij, omdat de rechtbank zicht wenst te krijgen op het bij SCC en Equilib aanwezige ‘bewijsmateriaal’. In het proces-verbaal van de zitting wordt daarom gesproken van “een ultieme onderbouwingspoging” en “naar beste vermogen zo goed mogelijk zullen onderbouwen”. De uit de artikelen 149 en 150 Rv voortvloeiende stelplicht brengt mee dat de eisende partij alle feiten dient te stellen die benodigd zijn voor het intreden van het beoogde rechtsgevolg. Dit brengt mee dat bij aanvang van de procedure (dus al bij dagvaarding) alle feitelijke elementen moeten worden aangevoerd die op basis van de wet nodig zijn voor de toewijzing van de vordering. Die feitelijke elementen moeten worden geconcretiseerd; met algemeenheden kan niet worden volstaan (zie vonnis van 11 september 2019, r.o. 4.2). SCC en Equilib mogen dit alles aantonen met alle middelen rechtens. 2.13. Anders dan de luchtvaartmaatschappijen stellen, hoeven SCC en Equilib niet voor iedere cedent aan de hand van direct bronbewijs bestaande uit een air waybill of factuur te onderbouwen dat die cedent in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. De rechtbank begrijpt dat de achterliggende partijen (en dus ook SCC en Equilib) niet van elke luchtvrachtvervoersdienst direct bronbewijs (meer) zullen hebben. Het kartel is jarenlang geheim gehouden en SCC en Equilib hebben terecht opgemerkt dat de administratie van de achterliggende partijen er natuurlijk niet op was ingericht om eventuele latere claims als deze te kunnen onderbouwen. SCC en Equilib worden echter niet gevolgd in hun betoog dat de rechtbank het nu (zoals SCC het formuleert) maar moet doen met de data en informatie die zo’n vijftien tot twintig jaar na dato nog beschikbaar zijn. SCC en Equilib hadden immers, zoals hiervoor is overwogen, van aanvang af hun vorderingen voldoende moeten onderbouwen. De kartelperiode was van 2000 tot 2006, het Besluit en het persbericht van de Commissie waren er ‘al’ in 2010, en de eerste dagvaardingen waarmee deze procedures zijn ingeleid werden uitgebracht in 2010 (Equilib) en in 2013 (SCC). Ook toen was al sprake van enig tijdsverloop, maar geen vijftien tot twintig jaar. Dat SCC en Equilib – professionele claimvehikels – kennelijk niet (in alle gevallen) bij aanvang van de procedures voldoende specifieke onderbouwende gegevens en documenten hebben opgevraagd bij de achterliggende partijen en aldus hebben veiliggesteld, moet voor hun risico komen. Dit alles betekent dat de onderbouwing – ook als geen direct bronbewijs beschikbaar is – dus wel voldoende concreet moet zijn. Op dit moment – in dit stadium van de procedures en in het licht van de beperkte opdracht van de rechtbank – kunnen SCC en Equilib niet meer volstaan met blote stellingen. De eisen die de rechtbank stelt zijn in lijn met het toepasselijke Nederlandse (proces)recht en daarmee komen naar het oordeel van de rechtbank het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel als bedoeld in de Kartelschaderichtlijn niet in het geding. 2.14. Uit het voorgaande volgt dat de enkele stelling (al dan niet verwoord in een van de achterliggende partij afkomstige e-mail of brief) dat een achterliggende partij vanzelfsprekend luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen gezien de aard van de business, onvoldoende zal zijn, ook als dat wordt verklaard door een bestuurder of andere hooggeplaatste medewerker van deze achterliggende partij. In dit stadium mag worden verwacht dat aan zo’n verklaring enige handen en voeten worden gegeven (hetgeen van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld). 2.15. De rechtbank zal aan de hand van de onderbouwing van die ene luchtvrachtvervoersdienst in dit stadium beoordelen voor (de vorderingen van) welke achterliggende partijen de procedures zullen worden voortgezet en welke achterliggende partijen zullen moeten afvallen. Dat laatste zal in ieder geval gelden voor elke achterliggende partij waarvoor SCC en Equilib op geen enkele manier heeft geconcretiseerd dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen en ook voor die cedenten waarvoor zij niet in staat zijn – bij wijze van ”ultieme poging” – dit in voldoende mate te onderbouwen. Die consequentie – het afvallen van achterliggende partijen ten aanzien waarvan met de opgedragen ultieme onderbouwingspoging nog steeds niet aan de stelplicht is voldaan – is door de rechtbank tijdens de regiezitting van 11 februari 2021 al expliciet aan partijen aangekondigd en met hen besproken. Ten aanzien van de achterliggende partijen waarvoor nu niets concreets beschikbaar is, is het niet zinvol om de procedures voort te zetten: SCC en Equilib hebben uitvoerig – na de regiezitting van 11 februari 2021 nog eens zeven maanden – de gelegenheid gehad de vorderingen te onderbouwen met de instructie daartoe een “ultieme onderbouwingspoging” te doen en wat er nu niet is, zal er (dus) ook niet meer komen. 2.16. Een bewijsaanbod – zoals SCC op meerdere plaatsen in haar akte van 15 september 2021 doet – volstaat hier niet. Zij heeft ruimschoots de tijd gehad om nadere onderbouwende gegevens en bescheiden te verzamelen en in het geding te brengen. Als zij haar vordering (nu nog) niet voldoende heeft onderbouwd, wordt aan bewijslevering niet toegekomen. De wegwijsplicht 2.17. Tenslotte wordt nog opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad het verwijzen naar documenten/data zonder aan te wijzen om welke (passages in die) documenten/welke data het precies gaat, ook niet voldoende is (ook niet als dit gebeurt in ‘witness statements’). 3De achterliggende partijen aan de zijde van SCC Siemens-groep (achterliggende partijen 01.01 en volgende) 3.1. SCC heeft de volgende documenten overgelegd: - getuigenverklaringen van [naam 1] , Principal Legal Counsel, en [naam 2] , Commodity Manager for Airfright (productie SCCA-0270); - cessiedocumentatie (productie SCCA-0271); - een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten en transacties (productie SCCA-0272); - verschillende databestanden (productie SCCA-0273); - e-mails van [naam 3] (producties SCCA-0274 en SCCA-0276); - verschillende AWB’s (producties SCCA-0277, SCCA-0278 en SCCA-0286). In de getuigenverklaringen van [naam 1] en [naam 2] staat: “We refer to the data and information in respect of the airfreight services procured by the Siemens Shippers as submitted by SCC in the proceedings that is attached to this witness statement ( Attachment B ). This data and information has been provided by or on behalf of the Siemens group to SCC or has been derived from data and information provided by or on behalf of the Siemens group to SCC. All the airfreight services included therein have been allocated to the Siemens Shippers.” In het e-mailbericht van [naam 3] van 11 november 2015 staat: “(…) please find attached available datas from Shanghai for shipments of SSLS starting 2005 up end of to 2010. (…) All shipments are to SHA No flightnrs available. Only the arrival date at SHA”. 3.2. SCC heeft – zo stelt zij – met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot in ieder geval 715.495 individuele vluchten en transacties van de achterliggende partijen in het geding gebracht, waarvan een overzicht als productie SCCA-0272 is overgelegd. Uit dat overzicht blijkt dat de achterliggende partijen in ieder geval 488.430 luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen in de relevante periode via verschillende freight forwarders, waaronder Siemens Energy, Inc. (01.482 vluchten). Ten aanzien van die vluchten en transacties vermeldt dat overzicht veelal door welke verzender de luchtvrachtvervoersdiensten zijn afgenomen, de code van de luchtvaartmaatschappij, de master air waybill (MAWB) en de house air waybill (HAWB), de plaats van vertrek en de plaats van aankomst, de datum, het gross weight en het chargeable weight, de naam van de freight forwarder en het nummer van de factuur. De data en informatie zijn afkomstig van een intern systeem van Siemens, waarin gedurende de relevante periode de details van individuele vluchten en transacties zijn opgeslagen op basis van data en informatie in rapportages die Siemens van haar logistieke dienstverleners heeft ontvangen. SCC heeft verder verwezen naar de overgelegde AWB’s, de (getuigen)verklaringen van [naam 1] en [naam 2] van Siemens en van [naam 4] van Omni Bridgeway, alsmede naar de e-mails van [naam 3] . 3.3. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat de overgelegde map AWB’s meer dan 6.000 ongesorteerde bestanden bevat en dat daarvan slechts 2.702 worden geduid in het door SCC verstrekte overzicht als luchtvrachtvervoersdiensten die door Siemens cedenten zouden zijn afgenomen. In dat overzicht worden bovendien alleen Siemens AG en Siemens Energy, Inc. als achterliggende partijen genoemd. De luchtvrachtvervoersdiensten die Siemens Energy, Inc. zou hebben afgenomen dateren van november 2008 en later, zodat zij buiten de relevante periode vallen. SCC heeft verder de relevantie van voornoemde map niet nader toegelicht. De Excel-bestanden zijn onvoldoende als onderbouwing, tenzij onderliggende data zijn overgelegd. Bovendien bevat het overzicht veel luchtvrachtvervoersdiensten met als eindbestemming een luchthaven in de Verenigde Staten en vallen deze mogelijk onder een collectieve schikking. Verder kan aan de hand van de verstrekte e-mails en verklaringen niet worden vastgesteld dat de achterliggende partijen in de relevante periode tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen, omdat de daarin ingenomen stellingen onvoldoende concreet en verifieerbaar zijn en zonder nadere onderbouwing onvoldoende. Ten aanzien van 27 achterliggende partijen heeft SCC bovendien in het geheel geen stellingen ingenomen, en deze moeten dan ook reeds daarom afvallen, aldus steeds de luchtvaartmaatschappijen. 3.4. Partijen zijn het erover eens dat Siemens AG (01.01) en Siemens S.A. (01.403) mee mogen blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partijen haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij voor elk van deze partijen met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode. 3.5. Geoordeeld wordt dat de overige achterliggende partijen moeten afvallen, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(
- en)van welke Siemens-vennootschap(pen). In aanvulling daarop hebben de luchtvaartmaatschappijen (die kennelijk wel de door SCC in het geding gebrachte bescheiden hebben bestudeerd) terecht erop gewezen dat de luchtvrachtvervoersdiensten die Siemens Energy, Inc. blijkens de door SCC overgelegde documenten heeft afgenomen onweersproken buiten de relevante periode vallen. De enkele omstandigheid dat Siemens Energy, Inc. vóór de relevante periode is opgericht en er ‘dus’ geen enkele aanleiding is om te veronderstellen dat zij pas in 2008 ‘ineens’ is begonnen met het afnemen van luchtvrachtvervoersdiensten, zoals SCC heeft aangevoerd, is in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat deze vennootschap in de relevante periode tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. Het voorgaande leidt ertoe dat afvallen: - AS AUDIO‐SERVICE GmbH (01.05); - Sivantos GmbH (01.46); - Siemens Healthcare Diagnostics Products GmbH (01.66); - Trench Germany GmbH (01.120); - Siemens S.A./N.V. (01.145); - Siemens Wind Power A/S (01.154); - Siemens A.E. (01.175); - Electrium Sales Limited (01.178); - Siemens Healthcare Diagnostics Ltd. (01.194); - Siemens Industrial Turbomachinery Ltd. (01.199); - Siemens plc (01.204); - Siemens Concentrated Solar Power Ltd. (01.227); - Siemens Ltd. (01.229); - Siemens S.p.A. (01.239); - Ethosenergy Italia S.p.A. (01.242); - Siemens Electrical & Electronic Services K.S.C.C. (01.250); - Siemens Nederland N.V. (01.271); - Siemens Ltd. (01.273); - Siemens AS (01.274); - Siemens Aktiengesellschaft Österreich (01.287); - Siemens Metals Technologies Vermogenverwaltungs GmbH (01.297); - Siemens Pakistan Engineering Co. Ltd. (01.302); - Siemens S.A. (01.310); - OOO Siemens (01.320); - Siemens AB (01.335); - Siemens Industrial Turbomachinery AB (01.338); - Sivantos AG (01.342); - Siemens Schweiz AG (01.348); - Siemens (Proprietary) Limited (01.375); - Siemens Sanayi ve Ticaret A.S. (01.391); - SD (Middle East) LLC (01.397); - Siemens LLC (01.398); - Siemens Electroeletronica Limitada (01.410); - Siemens Ltda. (01.413); - Siemens S.A. (01.419); - Siemens S.A. (01.421); - Siemens S.A. (01.423); - Siemens S.A. (01.424); - Siemens S.A. (01.426); - Siemens Healthcare Diagnostics Manufacturing Limited (01.428); - Siemens Canada Ltd. (01.430); - Siemens S.A. (01.441); - Siemens Innovaciones S.A. de C.V. (01.450); - Siemens, S.A. de C.V. (01.452); - Siemens Demag Delaval Turbomachinery, Inc. (01.480); - Siemens Energy, Inc. (01.482); - Siemens Medical Solutions USA, Inc. (01.491); - Siemens S.A. (01.507); - Siemens Ltd. (01.523); - Beijing Siemens Cerberus Electronics Ltd. (01.530); - Siemens Electrical Drives (Shanghai) Ltd. (01.542); - Siemens Electrical Drives Ltd. (01.543); - Siemens High Voltage Circuit Breaker Co., Ltd. (01.550); - Siemens International Trading Ltd. (01.556); - Siemens Ltd. (01.558); - Siemens Numerical Control Ltd. (01.563); - Siemens Shenzhen Magnetic Resonance Ltd. (01.572); - Siemens Switchgear Co. Ltd. (01.577); - Siemens Ltd. (01.599); - Siemens Ltd. (01.608); - P.T. Siemens Indonesia (01.613); - Siemens Japan K.K. (01.623); - Siemens Ltd. Seoul (01.627); - Siemens Malaysia Sdn. Bhd. (01.631); - Siemens (N.Z.) Limited (01.635); - Siemens Power Operations Inc. (01.637); - Siemens, Inc. (01.638); - Sivantos Pte. Ltd. (01.642); - Siemens Pte. Ltd. (01.644); - Siemens Ltd. (01.648); - Siemens Limited (01.649); - Siemens Ltd.Ho Chi Minh City (01.653); - Dresser-Rand Group Inc. (01.885); - Industrial Turbine Company (UK) Limited (01.904). Microelectronics International N.V. (achterliggende partij 02.01) 3.6. SCC heeft de volgende documenten overgelegd: - cessiedocumentatie (productie SCCA-0287); - een overzicht van luchtvrachttransacties (productie SCCA-0288); - twee Excel-bestanden en meer geaggregeerde gegevens (productie SCCA-0289); - twee facturen (producties SCCA-0290 en SCCA-0291); - een uittreksel uit het handelsregister (productie SCCA-0715); - een akte van afsplitsing (SCCA-0716) en het daarbij behorende splitsingsvoorstel (productie SCCA-0717). 3.7. SCC stelt dat STMicroelectronics International N.V. op 30 december 2011 is ontstaan als een afsplitsing van STMicroelectronics N.V. en dat met die afsplitsing de vorderingen met betrekking tot het kartel zijn overgegaan op STMicroelectronics International N.V. SCC verwijst daarbij met name naar het overgelegde splitsingsvoorstel, waarin onder meer staat dat “In het kader van de Splitsing (…) uitsluitend de volgende activa overgaan op de Verkrijgende Vennootschap: (…) d. alle rechten van de Splitsende Vennootschap uit de onder (…) 3 (…) opgenomen activa, passiva en rechtsverhoudingen, inclusief uitstaande vorderingen (accounts receivable); (…)”, tot welke rechtsverhoudingen onder meer behoren: “alle sourcing en purchasing overeenkomsten met leveranciers, alle overeenkomsten met betrekking tot de European Hub in Saint-Genis, Frankrijk, inclusief alle vracht- en transportovereenkomsten” en “logistieke overeenkomsten”. Na de afsplitsing is STMicroelectronics N.V. slechts een holdingmaatschappij, zoals blijkt uit het overgelegde uittreksel uit het handelsregister en de jaarrekening van het STM concern. Verder blijkt uit de data packs van Oxera (SCCA-0254 en SCCA-0266) en het overzicht van de betreffende vluchten en transacties dat het concern STM in ieder geval 30.346 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen. Bovendien blijkt uit de overgelegde facturen dat STMicroelectronics International N.V. in de relevante periode bij verschillende freight forwarders luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen, welke facturen de code van de betreffende luchtvaartmaatschappij, de plaats van vertrek, de plaats van aankomst, het gewicht en de naam van de freight forwarders bevatten, aldus steeds SCC. 3.8. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat SCC niet verduidelijkt op welke grond die overgang van vorderingen met betrekking tot het kartel zou hebben plaatsgevonden. Uit onderdeel D van het splitsingsvoorstel volgt dat alle vermogensbestanddelen die niet “uitdrukkelijk” in bijlage III bij het voorstel zijn opgenomen, in het vermogen van STMicroelectronics N.V. zijn achtergebleven en dus niet op STMicroelectronics International N.V. zijn overgegaan. Verder stelt noch onderbouwt SCC dat de in bijlage III genoemde rechtsverhoudingen tussen STMicroelectronics N.V. en de luchtvaartmaatschappijen bestonden. Dit is ook niet aannemelijk, omdat de luchtvrachtvervoersdiensten doorgaans werden afgenomen van freight forwarders en niet direct van luchtvaartmaatschappijen. Ook over het bestaan van dergelijke rechtsverhoudingen in de relatie tussen STMicroelectronics N.V. en freight forwarders heeft SCC niets gesteld en daarvan is ook anderszins niet gebleken. Daarnaast geldt dat vorderingen uit onrechtmatige daad niet kwalificeren als rechten uit de vracht- en transportovereenkomsten, aldus steeds de luchtvaartmaatschappijen. 3.9. In het tussenvonnis van 2 augustus 2017 heeft de rechtbank beslist dat uit het concern STMicroelectronics slechts de vorderingen van de vennootschap STMicroelectronics International N.V. onderdeel zijn van deze procedures. Ook STMicroelectronics International B.V. moet echter afvallen in het vervolg van deze procedures. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data relevant zijn. Bovendien geldt hier dat SCC – in het licht van het verweer van de luchtvaartmaatschappijen – onvoldoende heeft toegelicht dat eventuele vorderingen uit hoofde van het kartel zijn overgegaan op STMicroelectronics International N.V. (en niet in het vermogen van STMicroelectronics N.V. zijn achtergebleven). Uit de aangehaalde passages kan dit niet met zekerheid worden afgeleid. Sony Ericsson (achterliggende partijen 03.01 en 3.02) 3.10. SCC heeft de volgende documenten overgelegd: - cessiedocumentatie (productie SCCA-0294); - een Excel-bestand met gegevens over luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0295); - verschillende databestanden (productie SCCA-0296); - e-mails van [naam 5] , destijds Corporate Vice President & General Counsel, [naam 7] , destijds Director, General Counsel (productie SCCA-0292), en [naam 6] , destijds werkzaam bij Sony Mobile Communications AB (achterliggende partij 03.01) (productie SCCA-0293); in de e-mails van [naam 5] en [naam 7] staat onder meer: “Please correct me if I am wrong but I believe that the Swedish holding company was the purchaser of all air freight services. (…) Yes that is my understanding. Sony Ericsson Mobile Communications AB (SEAB) is the company that has purchased the services. I can look into if there might be any other SE companies that might have purchased due to the company set up at that time but the volumes are with SEAB.”; in een e-mail van [naam 6] staat: “(…) Sony (Ericsson) Mobile Communications AB has been the purchaser of all goods/products from the factories (…). Sony (Ericsson) Mobile Communications AB ha[s] paid for the transportation from the factories but not been the direct purchaser of transportation. Sony (Ericsson) Mobile Communications AB has then sold the products to its group companies (…). Sony (Ericsson) Mobile Communications AB has not passed on the costs for transportation to the group companies when selling on the products. (…).”; - een PowerPoint bestand van [naam 6] (productie SCCA-0297); - een getuigenverklaring van [naam 6] (productie SCCA-0705), waarin zij bevestigt dat Sony (Ericsson) Mobile Communications AB en Beijing SE Potevio Mobile Communications Company Ltd (achterliggende partij 3.02): “During the period 2001-2007 (…) procured and/or paid for airfreight services”. 3.11. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot in ieder geval 439.009 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht en dat uit het overgelegde Excel-bestand blijkt dat “de Sony Ericsson Shippers” in ieder geval 344.914 luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen tijdens de kartelperiode en de periode van nawerking. In haar PowerPointpresentatie geeft [naam 6] inzicht in de achtergrond van de luchtvrachtvervoersdiensten die Sony Ericsson Mobile Communications AB in de relevante periode heeft afgenomen, waarbij zij verwijst naar twee Excelbestanden: (
- i)één waarin “all data combined- freight invoices + sales orders -ODC” zijn opgenomen en (
- ii)een overzicht van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten, zoals die in de periode 2002-2007 op de relevante grootboekrekening in de administratie van Sony Ericsson Mobile Communications AB zijn geboekt onder vermelding van, onder andere, de naam van de betreffende freight forwarder. Uit de kolom “Company Code” blijkt dat de luchtvrachtvervoersdiensten zijn afgenomen door Sony Ericsson Mobile Communications AB. Uit de getuigenverklaringen van [naam 4] en [naam 8] van Omni Bridgeway blijkt dat SCC alle data en informatie met betrekking tot de relevante luchtvrachtvervoersdiensten van de “Shippers binnen de groep Sony Ericsson” zijn ontvangen, aldus steeds SCC. 3.12. De luchtvaartmaatschappijen zetten hier tegenover dat SCC geen stukken – zoals AWB’s of facturen – heeft overgelegd en dat zij geen verdere beoordeling hebben gedaan (laten doen) van de door SCC in het geding gebrachte transactiegegevens. 3.13. Geoordeeld wordt dat deze achterliggende partijen – Sony (Ericsson) Mobile Communications AB en Beijing SE Potevio Mobile Communications Company Ltd – moeten afvallen, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(
- en)van welke Sony-vennootschap(pen). De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en de door [naam 6] opgestelde Excel-overzichten moeten toch ergens op zijn gebaseerd. Infineon groep (achterliggende partijen 04.01 tot en met 04.11) 3.14. SCC heeft de volgende documenten overgelegd: - cessiedocumentatie (productie SCCA-0298); - overzicht vluchten en transacties (productie SCCA-0299); - onderliggende data en informatie (productie SCCA-0300); - een begeleidend memorandum van freight forwarder DB Schenker (productie SCCA-0301); - een getuigenverklaring van [naam 9] (productie SCCA-0302); - verschillende facturen, AWB’s en betalingsverzoeken (producties SCCA-0303 tot en met SCCA-0319). 3.15. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot in ieder geval 91.642 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit het overzicht van de betreffende vluchten en transacties (productie SCCA-0299) blijkt dat de Infineon groep in ieder geval 89.320 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen in de relevante periode. De overgelegde bestanden betreffen per jaar een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten in de periode 2000-2006 via freight forwarders, zoals ook volgt uit de verklaring van [naam 9] . Waar beschikbaar bevatten de overgelegde overzichten ten aanzien van al die vluchten en transacties ook de code en de naam van de luchtvaartmaatschappij, het MAWB, de gevlogen route, het chargeable weight, het actual weight, de datum van de factuur, het nummer van de vlucht, het nummer van de factuur en het nummer van de AWB, aldus steeds SCC. 3.16. De luchtvaartmaatschappijen voeren ten aanzien van Infineon Technologies China Co. Ltd (04.05) aan dat onduidelijk is of de overgelegde AWB’s en facturen zien op een luchtvrachtvervoersdienst, omdat het AWB-nummer niet uit elf cijfers bestaat. Bovendien ontbreken data, gewicht en soms ook routes op die AWB’s. Voorts verwijst de route SHA-MHN (productie SCCA-0313) niet naar Shanghai-Duitsland, maar naar Shanghai-Mullen (USA). De door SCC overgelegde documenten zijn dan ook onvoldoende. Verder heeft SCC nagelaten ten aanzien van een aantal individuele achterliggende partijen stellingen in te nemen, aldus de luchtvaartmaatschappijen. 3.17. Partijen zijn het erover eens dat Infineon Technologies AG (04.01), Infineon Technologies Asia Pacific Pte Ltd (04.02), Infineon Technologies Wuxi) Co., Ltd (04.03), Infeon Technologies (Xi’
- an)Co., Ltd (04.04), Infineon Technologies Center of Competence (Shanghai) Co., Ltd (04.06), Infineon Technologies Austria AG (04.10) en Infineon Technologies Dresden GmbH (04.11) mee mogen blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partijen haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot elk van deze achterliggende partijen voor ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode. 3.18. SCC heeft tegenover het verweer van de luchtvaartmaatschappijen ten aanzien van Infineon Technologies China Co. Ltd (04.05) nader gewezen op de verwijzing “Shipment Air Waybill” op pagina’s 3 en 4 in producties SCCA-0313, SCCA-0314 en SCCA-0315. Verder heeft SCC toegelicht dat de code MHN op de als productie SCCA-0313 overgelegde AWB een oude code voor het vliegveld van Mannheim is en dat het bezorgadres op die AWB in Ludwigshafen am Rhein 15 kilometer van Mannheim is gelegen. De rechtbank is van oordeel dat uit de combinatie van de overgelegde documenten en de toelichting van SCC voldoende volgt dat Infineon Technologies China Co. Ltd in de relevante periode tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen, zodat ook deze achterliggende partij ook mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. 3.19. Infineon Integrated Circuit (Beijing) Co., Ltd (04.05), Infineon Technologies (Kulim) Sdn. Bhd. (04.08) en Infineon Technologies (Malaysia) Sdn. Bhd. (04-09) moeten echter afvallen. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor het toetsingskader is overwogen. SCC heeft geen concrete stellingen ingenomen ten aanzien van deze achterliggende partijen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data relevant zijn. Eli Lilly groep (achterliggende partijen 05.01 tot en met 05.05) 3.20. SCC heeft de volgende documenten overgelegd: - een getuigenverklaring van [naam 10] , Procurement Consultant-Logistics (productie SCCA-0320); - e-mails van [naam 11] , Senior Legal Associate (producties SCCA 0321, SCCA-0322 en SCCA-0323); in een van deze e-mails staat onder meer: “Affilliates concerned are from Spain, Italy, France, Germany, UK and Ireland” en in een andere dat de tabel in de daarbij gevoegde bijlage “the invoiced entities on Lilly’s side” bevat; - cessiedocumentatie (productie SCCA-0324); - diverse Excel-bestanden met gegevens over de afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (producties SCCA-0325 en SCCA-0326); - een aantal facturen (producties SCCA-0327 tot en met SCCA-0332). 3.21. Met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) heeft SCC – zo stelt zij – data en informatie met betrekking tot in ieder geval 46.450 individuele vluchten en transacties in het geding gebracht. Uit het overgelegde overzicht blijkt dat de achterliggende partijen in ieder geval 46.450 luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen in de relevante periode. Dat overzicht bevat ten aanzien van al die vluchten en transacties de bookdate en het chargeable weight, in vrijwel alle gevallen ook de code van de luchtvaartmaatschappij en het MAWB-nummer, alsmede de plaats van vertrek en het land van aankomst (in veel gevallen ook de plaats van vertrek en aankomst). Verder stelt SCC ten aanzien van Eli Lilly Italia S.p.A. (05.04) dat uit de overgelegde factuur van een freight forwarder blijkt dat een luchtvrachtvervoersdienst (“nolo aered”) en toeslagen (“sovrattassa sicurezza” en “fuel surcharge”) bij deze achterliggende partij in rekening zijn gebracht. 3.22. De luchtvaartmaatschappijen voeren het volgende aan. Nog afgezien van het feit dat in de overgelegde Excel-bestanden geen onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende achterliggende partijen en het daarom niet duidelijk is voor welke achterliggende partij deze gegevens mogelijk relevant zijn, is voor Lilly SA, Lilly France SAS en Eli Lilly and Co. Ltd. buiten deze Excel-bestanden geen nadere onderbouwing verstrekt. Die Excel-bestanden zijn in elk geval op zichzelf onvoldoende. Verder volgt uit de getuigenverklaring van [naam 10] en de e-mails van [naam 11] slechts dat voor de achterliggende partijen wordt gesteld dat zij gebruik hebben gemaakt van luchtvrachtvervoersdiensten en dat zij daarvoor hebben betaald, maar dergelijke algemene stellingen zijn onvoldoende concreet en verifieerbaar en zonder nadere onderbouwing onvoldoende. Ten aanzien van Eli Lilly Italia S.p.A. voeren de luchtvaartmaatschappijen verder aan dat de overgelegde factuur weliswaar ziet op luchtvrachtkosten, maar dat die factuur geen transactie- of vlucht-specifieke gegevens bevat. SCC wijst bovendien alleen op een factuurnummer en een datum en niet op transactiegegevens die verifieerbaar zijn. Die factuur is dus onvoldoende, aldus de luchtvaartmaatschappijen. 3.23. Partijen zijn het erover eens dat Lilly Pharma Fertigung und Distribution GmbH & Co. KG (05.03) mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode. 3.24. Geoordeeld wordt dat de overige achterliggende partijen- Lilly SA (05.01), Lilly France SAS (05.02), Eli Lilly Italia S.p.A. (05.04) en Eli Lilly and Co.Ltd. (05.05) moeten afvallen. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft geen concrete stellingen ingenomen ten aanzien van deze achterliggende partijen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data relevant zijn. Ten aanzien van Eli Lilly Italia S.p.A. wordt in aanvulling hierop nog overwogen dat hetgeen SCC heeft ingebracht in dit stadium van de procedure (in het licht van de opdracht van de rechtbank, de “ultieme onderbouwingspoging”) onvoldoende is. [naam 12] AS (achterliggende partij 06.01) 3.25. SCC heeft de volgende documenten overgelegd: - cessiedocumentatie (productie SCCA-0333); - overzicht vluchten en transacties (productie SCCA-0334); - verschillende databestanden (productie SCCA-0335 en SCCA-0337); - een getuigenverklaring van [naam 12] , (voormalig CEO) (productie SCCA-0336); - een drietal facturen (producties SCCA-0338 tot en met SCCA-0340). 3.26. Partijen zijn het erover eens dat [naam 12] AS mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode. Fairchild groep (achterliggende partijen 07.01 en 07.02) 3.27. SCC heeft de volgende documenten overgelegd: - cessiedocumentatie (productie SCCA-0342); - een Excel-bestand met gegevens over de afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0343); - verschillende databestanden (productie SCCA-0344); - e-mails van [naam 13] , destijds werkzaam binnen het concern Fairchild (producties SCCA-0341 en SCCA-0345); in één van die e-mails staat: “Here is the data we have (we have a small part of 2003) as well as 2004, 05 and 06. Will send over to you data for 2007, 08 & 09 once we have it completed.” 3.28. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot in ieder geval 1.032.514 individuele vluchten en transacties in het geding gebracht. Uit het overgelegde Excel-bestand blijkt dat de achterliggende partijen in ieder geval 163.286 luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen tijdens de kartelperiode en de periode van nawerking. De overgelegde bestanden betreffen per jaar overzichten van de luchtvrachtvervoersdiensten die via de freight forwarder Trendset zijn afgenomen, althans via Trendset in rekening zijn gebracht. De overzichten zijn rechtstreeks afkomstig uit het systeem van Trendset. Ten aanzien van al die vluchten en transacties bevat het overzicht in ieder geval het land van vertrek, het land van aankomst, de datum van de vlucht, het actual weight en het nummer van de factuur. Als in die overzichten alleen al wordt gekeken naar de kolommen ‘SHIPPER_NAME’ en ‘CONSIGNEE_NAME’, dan blijkt dat beide achterliggende partijen in de relevante periode luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen, althans daarvoor hebben betaald. Uit een e-mail van [naam 13] (productie SCCA-0341) volgt dat de luchtvrachtvervoersdiensten in principe door Fairchild Semiconductor Ltd. (achterliggende partij 07.02) zijn afgenomen en betaald, maar dat ook luchtvrachtvervoersdiensten bij in rekening zijn gebracht: “(…) In relation to the claim within the EU, if you need to know the entity listed on the AWB it wil be be Fairchild Semiconductor Ltd.(…) Fairchild Semiconductor Corporation [volgens SCC: Fairchild Semiconductor International, Inc. (achterliggende partij 07.01] is our parent company but will not show on our AWB Etc although the freight will have been billed to the Corporation in some instances.”, aldus steeds SCC. 3.29. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat SCC alleen voor de groep Fairchild stellingen heeft ingenomen en niet op het niveau van de individuele cedenten, dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat de Excel-bestanden (welke bovendien geen van alle AWB-nummers vermelden) op zichzelf onvoldoende zijn. Verder lijkt uit de door SCC aangehaalde e-mail van [naam 13] te volgen dat alleen Fairchild Semiconductor Ltd. (07.02) als relevante entiteit op enige AWB zou zijn vermeld. Onduidelijk welke vennootschap wordt bedoeld met ‘Fairchild Semiconductor Corporation’; Fairchild Semiconductor International, Inc. (achterliggende partij 07.01) of een andere partij. Volgens SCC is dit Fairchild Semiconductor International, Inc. (achterliggende partij 07.01), maar dat lijkt slechts haar eigen interpretatie. In ieder geval blijkt uit de verklaring dat deze achterliggende partij niet op enige AWB vermeld is. Dit valt niet te controleren, want er zijn geen AWB’s overgelegd, aldus steeds de luchtvaartmaatschappijen. 3.30. Geoordeeld wordt dat Fairchild Semiconductor International, Inc. en Fairchild Semiconductor Ltd moeten afvallen, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(
- en)van welke Fairchild-vennootschap(pen). De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – ook hier weer onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en ook [naam 13] schrijft dat hij allerlei data heeft aangeleverd. C&A Buying GmbH & Co.KG (achterliggende partij 08.01) 3.31. SCC heeft de volgende documenten overgelegd: - cessiedocumentatie (productie SCCA-0348); - een getuigenverklaring van [naam 14] , Legal Counsel (productie SCCA-0346); - een getuigenverklaring van [naam 15] , werkzaam bij C&A Services GmbH & Co. OHG (producties SCCA-0347); - twee Letters of Understanding die RSC Commercial Services OHG namens dan wel ten behoeve van C&A Buying GmbH & Co. KG met Lufthansa Cargo heeft gesloten (productie SCCA-0349); - een geaggregeerd overzicht van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0350); - een Excel-bestand dat aan dit overzicht ten grondslag ligt (productie SCCA-0351); - een viertal facturen met bijbehorende AWB’s (producties SCCA-0352 t/m SCCA-0355). 3.32. Partijen zijn het erover eens dat C&A Buying GmbH & Co.KG mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode. bioMérieux S.A.(achterliggende partij 09.01) 3.33. SCC heeft de volgende documenten overgelegd: - cessiedocumentatie (productie SCCA-0356); - een getuigenverklaring van [naam 16] , VP International Logistics en een kopie van zijn identiteitskaart (producties SCCA-0357A en SCCA-0357F); - een aanpassing van de raamovereenkomst met freight forwarder Schenker S.A. (productie SCCA-0357B); - een raamovereenkomst met freight forwarder Geodis Overseas (productie SCCA-0357C); - maandelijkse rapportages van Schenker en Geodis (producties SCCA-0357D en SCCA-0357E); - een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0358); - onderliggende data en informatie bij dat overzicht (productie SCCA-0359); - een e-mail van [naam 17] (productie SCCA-0360). 3.34. SCC stelt dat uit de overgelegde raamovereenkomsten blijkt dat bioMérieux S.A. in de relevante periode luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen en dat die diensten maandelijks bij haar in rekening zijn gebracht. Dit blijkt volgens SCC ook uit de overgelegde getuigenverklaring van [naam 16] en de e-mail van [naam 17] . De freight forwarders Schenker en Geodis stuurden bioMérieux S.A. maandelijks een Excel-bestand met daarin een overzicht en details van de afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (producties SCCA-0357D en SCCA-0357E). Met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) heeft SCC data en informatie met betrekking tot in ieder geval 12.126 individuele vluchten en transacties in het geding gebracht. Uit het overzicht van de betreffende vluchten en transacties (productie SCCA-0358) blijkt dat bioMérieux S.A. in ieder geval 7.208 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen tijdens de kartelperiode en de periode van nawerking. De data en informatie in productie SCCA-0358 is afkomstig uit de als productie SCCA-0359 overgelegde bestanden. Op twee na bevat dat overzicht ten aanzien van al die vluchten en transacties in ieder geval de naam van de freight forwarder, de code van de luchtvaartmaatschappij, de gevlogen route, de bookdate en het chargeable of actual weight alsmede in veel gevallen het MAWB, aldus steeds SCC. 3.35. De luchtvaartmaatschappijen bevestigen dat transactiegegevens zijn verstrekt die zien op luchtvrachtvervoersdiensten. SCC heeft echter geen stukken overgelegd die voldoende bevestigen dat bioMérieux S.A. zelf in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. De overgelegde Excel-bestanden en het overzicht zijn onvoldoende om aan te tonen dat bioMérieux S.A. in de relevante periode zelf (en bijvoorbeeld niet een derde, die geen achterliggende partij
- is)tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. [naam 17] verwijst in zijn e-mail alleen naar een bijlage (“Geodis 2005. See attached file”) en dat is onvoldoende concreet en verifieerbaar zonder nadere onderbouwing. Verder verklaart [naam 16] slechts in algemene termen dat bioMérieux S.A.“to the best of my knowledge” luchtvrachtvervoersdiensten van Geodis en Schenker heeft afgenomen in de periode 1999-2007 en daarvoor heeft betaald. Bovendien is hij pas sinds 2009 bij bioMérieux werkzaam. Ook de bijlagen bij die verklaring bevatten onvoldoende gegevens, in ieder geval geen route en geen naam van een achterliggende partij, aldus steeds de luchtvaartmaatschappijen. 3.36. De rechtbank is van oordeel dat bioMérieux S.A. moet afvallen, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht (waaronder de Excel-bestanden met daarin een overzicht en details van de afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten die de freight forwarders Schenker en Geodis maandelijks stuurden aan bioMérieux S.A.), maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(
- en)– of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst – die is (zijn) afgenomen door bioMérieux S.A. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en het overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0358) moet toch ergens op zijn gebaseerd. SCC stelt dat het overzicht ten aanzien van al die vluchten en transacties (op twee
- na)in ieder geval de naam van de freight forwarder, de code van de luchtvaartmaatschappij, de gevlogen route, de bookdate en het chargeable of actual weight, alsmede in veel gevallen het MAWB bevat. Dat SCC meermaals uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen onder meer door het horen van medewerkers van het concern bioMérieux die de betreffende data en informatie aan SCC hebben verstrekt, is – zoals hiervoor onder het toetsingskader ook in algemene zin is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende. Mallinckrodt, LLC (achterliggende partij 10.01) en Covidien AG (achterliggende partij 15.01) 3.37. SCC heeft de volgende documenten overgelegd: - cessiedocumentatie (productie SCCA-0390); - een overzicht van de afgenomen luchtvrachttransacties (productie SCCA-0391); - drie Excel-bestanden (productie SCCA-0392). 3.38. SCC stelt dat de data en informatie die met betrekking tot Covidien AG is overgelegd, mede de vluchten en transacties van Mallinckrodt, LLC bevat. Zoals ook uit de verklaring van [naam 4] van Omni Bridgeway blijkt, maakte Mallinckrodt, LLC tijdens de kartelperiode deel uit van Covidien AG en is zij in 2013 daarvan afgesplitst. Verder verwijst SCC naar de e-mail die als bijlage aan de verklaring van [naam 4] is gehecht, waarin staat: “1) There are several sites that were dedicated Mallinckrodt material. Fact remains that Covag (Covedien,
- rb)paid for these shipments in those years of the claim (2000-2010). So Covag will be the beneficiary of the refunds out of this cartel Claim. (…) 2) The Freight is bought by COVAG, which is our legal entity in Switzerland. This is the entity where the invoice is made out to. All funds are paid to the carriers (via Interlog Services) by that entity in CH. So Freight is not paid by the local distribution centers.” Daaruit volgt dat de luchtvrachtvervoersdiensten binnen het concern van Covidien centraal werden afgenomen via Interleg Services en bij Covidien AG in rekening werden gebracht. Met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) heeft SCC data en informatie met betrekking tot in ieder geval 212.794 individuele vluchten en transacties in het geding gebracht. Uit het overgelegde overzicht blijkt dat Covidien AG in ieder geval 84.779 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen in de relevante periode en daarin staat de ship date en de naam van de freight forwarder alsmede in vrijwel alle gevallen ook de gevlogen route, aldus SCC. 3.39. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen transactiegegevens zijn verstrekt die verifieerbaar zijn, dat de Excel-bestanden op zichzelf onvoldoende zijn en dat daaruit bovendien volgt dat Covidien AG in veel gevallen niet zelf de verzender of ontvanger van de betreffende luchtvrachtvervoersdienst was. De overgelegde e-mail, waarin Covidien AG zelf aan [naam 4] heeft meegedeeld dat alle facturen van luchtvrachtvervoersdiensten steeds aan Covidien AG werden toegestuurd, is eveneens onvoldoende. Uit die algemene opmerking blijkt geenszins dat de in de Excel-bestanden genoemde transacties daadwerkelijk door Covidien AG zijn betaald (en SCC heeft niet één factuur overgelegd die deze verklaring ondersteunt), aldus de luchtvaartmaatschappijen. 3.40. De rechtbank is van oordeel dat Mallinckrodt, LLC en Covidien AG moeten afvallen, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(
- en)van welke vennootschap(pen). Ten aanzien van Mallinckrodt, LLC heeft SCC in het geheel geen stellingen ingenomen. Dat SCC ten aanzien van Covidien AG geen betere onderbouwing heeft kunnen geven, verbaast de rechtbank wederom. Kennelijk zijn (althans waren er in 2015) wel (hardcopy) facturen voor Covidien AG beschikbaar. De luchtvaartmaatschappijen hebben in dit verband gewezen op een bijlage bij de verklaring van [naam 4] van Omni Bridgeway (productie SCCA-0256) waarin het volgende staat: “4) Here I can’t help you. The only way of knowing is to check every invoice manually. The information in the file is the information stored in the system (…). All hard copies are stored in the archives in Switzerlands.” Tod’s S.p.A. (achterliggende partij 11.01) 3.41. SCC heeft de volgende documenten overgelegd: - cessiedocumentatie (productie SCCA-0362); - een Excelbestand met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0363), gebaseerd op een bestand dat onderdeel was van de data packs van Oxera (productie SCCA-0364); - getuigenverklaring van [naam 18] , member of the Board of Directors (producties SCCA-0365); - een aantal facturen met bijbehorende AWB’s, alsmede een aantal andere documenten ten aanzien van vluchten afgenomen via freight forwarder Savino del Bene S.p.A. (producties SCCA-0365 (Attachment B) en SCCA-0367 t/m SCCA-0369); - een aantal facturen met bijbehorende AWB’s, alsmede een aantal andere documenten ten aanzien van vluchten afgenomen via freight forwarder Jet Air Service S.p.A. (producties SCCA-0365 (Attachment C), SCCA-0370 en SCCA-0371); - andere facturen en AWB’s (overige voorbeelden) (producties SCCA-0366 en SCCA-0367 t/m SCCA-0371). 3.42. Partijen zijn het erover eens dat Tod’s S.p.A. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode. EFP International B.V. (achterliggende partij 12.01) 3.43. SCC heeft de volgende documenten overgelegd: - cessiedocumentatie (productie SCCA-0372); - een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0373); - een Excel-bestand met transactiegegevens (productie SCCA-0374); - een getuigenverklaring van [naam 19] , managing director (productie SCCA-0375); - een Excel-bestand met aanvullende transactiedata (productie SCCA-0276); - zes AWB’s met bijbehorende facturen (producties SCCA-0377). 3.44. Partijen zijn het erover eens dat EFP International B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode. Sensata Technologies Holland B.V. (achterliggende partij 13.01) 3.45. SCC heeft de volgende documenten overgelegd: - cessiedocumentatie (productie SCCA-0378); - een getuigenverklaring van [naam 20] (productie SCCA-0706); - een overzicht van ontvangen zendingen (productie SCCA-0719). 3.46. SCC stelt dat uit de verklaring van [naam 8] (productie SCCA-0257) blijkt dat Sensata Technologies Holland B.V., althans haar rechtsvoorganger Texas Instruments Holland B.V., in de periode 2000-2010 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen en dat daarvoor significante bedragen zijn betaald. Ook na gedegen onderzoek kan zij echter geen additionele data en informatie met betrekking tot haar vluchten en transacties verstrekken. Uit de verklaring van [naam 20] en de jaarrekening over 2006 van Sensata Technologies Holland B.V. blijkt dat alle relevante activa en passiva en daarmee ook de vorderingen met betrekking tot het kartel (uiteindelijk) door Sensata Technologies Holland B.V. (van haar moedervennootschap Bain Capital) zijn overgenomen. In het overgelegde overzicht zijn volgens [naam 20] alle zendingen van (de rechtsvoorganger van) Sensata Technologies Holland B.V. opgenomen waarbij veelal het land van vertrek, de ‘ModeOfTransport’ en ook het MAWB zijn vermeld. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database. 3.47. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat SCC geen data aan de berekening van het bedrag aan afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten ten grondslag heeft gelegd. Verder zijn de verklaringen van [naam 20] en [naam 8] te algemeen en is laatstgenoemde niet werkzaam bij Sensata Technologies Holland B.V., maar bij Omni Bridgeway. Bovendien is niet te verifiëren of bij de oprichting dan wel afsplitsing van Sensata Technologies Holland B.V. vorderingen op de luchtvaartmaatschappijen zijn overgegaan. Voorts is het overgelegde overzicht zonder direct bronbewijs onvoldoende, evenals een succesvolle koppeling met de BRG Database. 3.48. De rechtbank is van oordeel dat Sensata Technologies Holland B.V. moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht (waaronder overzicht van ontvangen zendingen), maar verzuimd aan te wijzen welke passages daarin/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(
- en)– of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst – die is (zijn) afgenomen door Sensata Technologies Holland B.V. (althans haar rechtsvoorganger). GE Avio S.r.l. (achterliggende partij 14.01) 3.49. SCC heeft de volgende documenten overgelegd: - cessiedocumentatie (productie SCCA-0379); - een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0380); - een getuigenverklaring van [naam 21] , Indirect Sourcing Buyer (productie SCCA-0382); - een geaggregeerd overzicht van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0383); - een aantal AWB’s en facturen (producties SCCA-0384 tot en met SCCA-0389). 3.50. Partijen zijn het erover eens dat GE Avio S.r.l. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij voor deze partij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode. PILATUS Flugzeugwerke AG (achterliggende partij 16.01) 3.51. SCC heeft de volgende documenten overgelegd: - cessiedocumentatie (productie SCCA-0393); - een Excel-bestand met gegevens van luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0394); - een aantal databestanden (productie SCCA-0395); - een pdf-bestand van een pakbon van de verzending van hardcopy AWB’s en facturen (productie SCCA-0397); - een aantal AWB’s (productie SCCA-0398); - meerdere AWB’s met bijbehorende facturen (producties SCCA-0399 tot en met SCCA-0413). 3.52. Partijen zijn het erover eens dat PILATUS Flugzeugwerke AG mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij voor deze partij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode. International Flavors & Fragrances I.F.F. (Nederland) B.V. (achterliggende partij 17.01) 3.53. SCC heeft de volgende documenten overgelegd: - cessiedocumentatie (productie SCCA-0414); - een Excel-bestand met gegevens over volgens SCC door International Flavors & Fragrances I.F.F. (Nederland) B.V. (hierna ook: I.F.F.) afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0415), gebaseerd op een bestand (SCCA-0416) dat onderdeel is van de data packs van Oxera. 3.54. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot in ieder geval 54.612 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit de overgelegde bestanden blijkt volgens haar dat I.F.F. 50.793 luchtvrachtvervoersdiensten via verschillende freight forwarders heeft afgenomen in de periode 2000-2007, die op de relevante grootboekrekening in haar administratie als uitgaven zijn geboekt en in haar ERP-systeem zijn geregistreerd. 3.55. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen transactiegegevens zijn verstrekt die verifieerbaar zijn en evenmin stukken die bevestigen dat in de relevante periode tenminste één luchtvrachtvervoersdienst door I.F.F. is afgenomen. De overgelegde Excel-bestanden op zich zijn volgens hen onvoldoende, zodat SCC wat betreft deze achterliggende partij niet aan haar stelplicht heeft voldaan. 3.56. De rechtbank is van oordeel dat International Flavors & Fragrances I.F.F. (Nederland) B.V. (I.F.F.) moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding gebracht (waaronder de Excel-bestanden met daarin een overzicht van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten die zij via de freight forwarders MOL Logistics (Netherlands) B.V. en DHL zou hebben afgenomen in de relevante periode), maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(
- en)– of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst – die is/zijn afgenomen door I.F.F. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en het overzicht van uitgaven (productie SCCA-0416) moet toch ergens op zijn gebaseerd. SCC stelt dat het overzicht ten aanzien van die vluchten en transacties waar beschikbaar de code van de luchtvaartmaatschappij, het MAWB, de gevlogen route, het chargeable weight, de datum van de vlucht en het nummer van de vlucht bevat. Dat SCC meermaals uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen, onder meer door het horen van medewerkers van het concern I.F.F. die de betreffende data en informatie aan SCC hebben verstrekt en medewerkers van de betreffende freight forwarders, is – zoals hiervoor onder het toetsingskader is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende. Salvatore Ferragamo Italia S.p.A. (achterliggende partij 18.01) 3.57. SCC heeft de volgende documenten overgelegd: - cessiedocumentatie (productie SCCA-0417); - een Excel-bestand met gegevens over (uitgaven aan) Salvatore Ferragamo Italia S.p.A. (hierna ook: Ferragamo) afgenomen luchtvrachtdiensten (productie SCCA-0418), ontleend aan een bestand (SCCA-0419) dat onderdeel uitmaakt van de data packs van Oxera. 3.58. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot 90.680 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit de overgelegde bestanden blijkt dat Ferragamo 36.850 luchtvrachtvervoersdiensten (met Italië als land van vertrek) heeft afgenomen in de relevante periode en die bestanden betreffen overzichten van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten zoals die op de relevante grootboekrekeningen in haar administratie zijn geboekt onder vermelding van het nummer van de factuur. 3.59. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat SCC geen direct bronbewijs heeft overgelegd en dat de overgelegde Excel-bestanden onvoldoende zijn. Die bestanden noemen slechts totaalbedragen en een MAWB-nummer ontbreekt, zodat verificatie bij gebrek aan onderliggende documentatie praktisch niet uitvoerbaar is. Verder ontbreken in de overgelegde Excel-bestanden vliegroutes dan wel de naam van de achterliggende partij. 3.60. De rechtbank is van oordeel dat Salvatore Ferragamo Italia S.p.A. moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding gebracht (waaronder het Excel-bestand met daarin onder meer overzichten van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten per freight forwarder), maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(
- en)– of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst is afgenomen door Ferragamo. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en de overzichten van uitgaven (productie SCCA-0419) moet toch ergens op zijn gebaseerd. SCC stelt dat het overzicht ten aanzien van die vluchten en transacties in ieder geval het land van aankomst, de datum, het chargeable weight en de naam van de betreffende freight forwarder bevatten. Omdat die gegevens toch ergens vandaan moeten komen ziet de rechtbank niet in waarom SCC niet ten minste wat betreft één luchtvrachtvervoersdienst de onderbouwing van haar stellingen nader zou kunnen concretiseren. Dat SCC meermaals uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen, onder meer door het horen van medewerkers van het concern Ferragamo die de betreffende data en informatie aan SCC hebben verstrekt en medewerkers van de betreffende freight forwarders, is – zoals hiervoor onder het toetsingskader ook in algemene zin is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende. Mattel Europa B.V. (achterliggende partij 19.01) 3.61. SCC heeft de volgende documenten overgelegd: - cessiedocumentatie (productie SCCA-0420); - een Excel-bestand met gegevens van luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0421); - een aantal databestanden (productie SCCA-0422); - een witness statement van [naam 22] , bestuurder van Mattel Europa B.V. (productie SCCA-0423); - een aantal air waybills en facturen (productie SCCA-0424); - een aantal air waybills met bijbehorende facturen en overige documenten die betrekking hebben op een aantal specifieke luchtvrachtvervoersdiensten (producties SCCA-0425 tot en met SCCA-0430. 3.62. Partijen zijn het erover eens dat Mattel Europa B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij voor deze partij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode. Heidelberger Druckmaschinen AG (achterliggende partij 20.01) 3.63. SCC heeft de volgende documenten overgelegd: - cessiedocumentatie (productie SCCA-0431); - een Excel-bestand met gegevens van luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0432); - een aantal databestanden (productie SCCA-0433); - witness statements van [naam 23] en [naam 24] , beiden Head of procurement bij Heidelberger Druckmaschinen AG (productie SCCA-0434); - een aantal air waybills en facturen (productie SCCA-0435); - een aantal air waybills met bijbehorende facturen en overige documenten die betrekking hebben op een aantal specifieke luchtvrachtvervoersdiensten (producties SCCA-0436 tot en met SCCA-0439). 3.64. Partijen zijn het erover eens dat Heidelberger Druckmaschinen AG mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij voor deze partij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode. Alpimex (achterliggende partij 21.01) 3.65. SCC heeft de volgende documenten overgelegd: - cessiedocumentatie (productie SCCA-0440); - een Excel-bestand met gegevens over uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten door de (in 2008 tot Alpimex gefuseerde) bedrijven Alpimex en Heremans (productie SCCA-0441); - een toelichtende e-mail van [naam 25] van Alpimex (productie SCCA-0442); - een witness statement van [naam 26] , voormalig delegated administrator van Alpimex (productie SCCA-0443); - pdf-bestanden met verzamelfacturen (productie SCCA-0444). 3.66. Partijen zijn het erover eens dat Alpimex mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. De rechtbank vindt dat SCC ten aanzien van Alpimex niet aan haar wegwijsplicht heeft voldaan, door niet duidelijk te maken waar in de overgelegde stukken de nodige gegevens met betrekking tot (ten minste) één concrete, door Alpimex afgenomen luchtvrachtvervoersdienst te vinden zijn. Kennelijk hebben de luchtvaartmaatschappijen niettemin de moeite genomen om de door SCC overgelegde gegevens en stukken te bestuderen en zijn zij tot de conclusie gekomen dat Alpimex in ieder geval één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen, zodat de stelling dat dat het geval is niet (meer) wordt betwist. Daarom is de rechtbank van oordeel dat deze achterliggende partij vooralsnog mee mag blijven doen in de procedure. Fashion Linq groep (achterliggende partijen 22.01 en 22.03 tot en met 22.06) 3.67. SCC heeft de volgende documenten overgelegd: - een getuigenverklaring van [naam 27] , Buying Director binnen de HVEG Fashion Group (productie SCCA-0445); - cessiedocumentatie (productie SCCA-0446); - een Excel-overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0447) - een Excel-overzicht met geaggregeerde gegevens van luchtvrachtvervoersdiensten die van freight forwarder OTX zouden zijn afgenomen (productie SCCA-0448); - diverse Excelbestanden met overzichten van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0409). 3.68. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot 1.503 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit het overgelegde overzicht en de verklaring van [naam 27] blijkt dat de achterliggende partijen 1.503 luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen in de relevante periode. Op vier na bevat dat overzicht de code van de luchtvaartmaatschappij, het MAWB, de gevlogen route, de bookdate, het chargeable weight, het actual weight en het nummer van de factuur. De overgelegde geaggregeerde gegevens betreffen per jaar een overzicht van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten van de achterliggende partijen, zoals die in de periode 2002-2010 op de relevante grootboekrekeningen in de administratie zijn geboekt, aldus SCC. 3.69. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat de overgelegde Excel-bestanden met transactie-specifieke gegevens onvoldoende zijn omdat daarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende achterliggende partijen en dat verder geen nadere onderbouwing is verstrekt. Verder mist in de overgelegde Excel-bestanden vrijwel alle relevante informatie en komt daarin alleen de datum herkenbaar naar voren. De informatie die wel in de bestanden is opgenomen op de datum na is bovendien niet te duiden. Verificatie van de (geaggregeerde) gegevens in de bestanden is bij gebrek aan onderliggende documentatie dan ook niet mogelijk. Voorts is de verklaring van [naam 27] dat “productie SCCA-0448 een weergave is van de luchtvrachtvervoersdiensten die de achterliggende partijen via een freight forwarder heeft afgenomen” onvoldoende concreet en verifieerbaar zonder nadere onderbouwing en wordt slechts gesteld dat de achterliggende partijen gebruik hebben gemaakt van luchtvrachtvervoersdiensten en dat zij hebben betaald. 3.70. De rechtbank is van oordeel dat A&Q Fashion B.V., Brams Paris B.V., Wink Accessoires B.V., Debo Eindhoven B.V. en Belt Fashion Eindhoven B.V. moeten afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(
- en)van welke tot de Fashion Linq groep behorende vennootschap(pen). De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard. Alleen al het feit dat SCC ter onderbouwing van haar stelling dat door ieder van deze Fashion Linq Shippers ten minste één luchtvrachtvervoersdienst is afgenomen meent te kunnen volstaan met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten “die Brams Paris B.V. […], althans de Fashion Linq Shippers tijdens de kartelperiode en de periode van nawerking via Freight Forwarder OTX hebben afgenomen” zonder dat overzicht nader te duiden, wijst er bovendien op dat SCC niet het vereiste onderscheid tussen de verschillende achterliggende vennootschappen binnen de Fashion Linq groep heeft gemaakt. TSMC groep (achterliggende partijen 23.01, 23.02 en 23.03) 3.71. SCC heeft de volgende documenten overgelegd: - cessiedocumentatie (productie SCCA-0450); - een Excel-bestand met een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0451) - een Excel-overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die de drie achterliggende vennootschappen (de TMS achterliggende partijen) in de relevante periode zouden hebben afgenomen(productie SCCA-0452); - drie getuigenverklaringen van [naam 28] , [naam 29] en [naam 30] , werkzaam bij respectievelijk Taiwan Semiconductor Manufacturing Company Ltd., TSMC China Company Ltd. en WaferTech, LLC (producties SCCA-0453, SCCA-0454 en SCCA-0455). 3.72. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) SCC data en informatie met betrekking tot 56.512 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit het overgelegde overzicht blijkt dat de TMS achterliggende partijen 42.583 luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen in de relevante periode via verschillende freight forwarders, zoals ook blijkt uit de overgelegde getuigenverklaringen. Dat overzicht bevat de code van de luchtvaartmaatschappij, het MAWB, de bookdate, het chargeable weight, het nummer van de betreffende vlucht, de naam van de freight forwarder, het nummer van de factuur en het nummer van de HAWB en veelal ook de plaats van vertrek en de plaats van aankomst, aldus SCC. 3.73. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken, zoals AWB’s of facturen, zijn overgelegd die voldoende bevestigen dat de TMS achterliggende partijen zelf in de relevante periode ieder ten minste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen en dat de overgelegde Excel-bestanden onvoldoende zijn. De verstrekte getuigenverklaringen met (dezelfde) aangehechte Excel-bestanden bevatten ook onvoldoende gegevens, onder meer omdat vliegroutes ontbreken. 3.74. De rechtbank is van oordeel dat de TMS achterliggende partijen, Taiwan Semiconductor Manufacturing Company Ltd., TSMC China Company Ltd. en WaferTech, LLC, moeten afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(
- en)van welke TMS achterliggende partij. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard. De (algemene) verwijzingen naar de drie overgelegde getuigenverklaringen maken dit gebrek aan onderbouwing door SCC niet goed, alleen al omdat dit niet wordt gedaan in het kader van een uiteenzetting over gespecificeerde luchtvrachtvervoersdiensten. Florimex groep (achterliggende partijen Florimex B.V. 24.01 en Baardse B.V. 24.02) 3.75. SCC heeft de volgende documenten overgelegd: - cessiedocumentatie (productie SCCA-0456); - een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0457); - een Excel-bestand met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die Florimex B.V. en Baardse B.V. (de Florimex achterliggende partijen) tijdens de kartelperiode en de periode van nawerking zouden hebben afgenomen (productie SCCA-0458) - twee Excel-bestanden met, respectievelijk, een overzicht van gestelde uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten door Baardse B.V. en een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die Florimex B.V. zou hebben afgenomen (SCCA-0459); - een factuur en AWB (productie SCCA-0460). 3.76. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot 4.634 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit het overgelegde overzicht blijkt dat de Florimex achterliggende partijen 4.634 luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen in de relevante periode. Dat overzicht bevat de bookdate en in veel gevallen ook de code van de luchtvaartmaatschappij, het MAWB, het land van vertrek, het land van aankomst, het factuurnummer, het nummer van de purchase order en/of de naam van de freight forwarder. Met betrekking tot Florimex B.V. beschrijft SCC een specifieke luchtvrachtvervoersdienst, onder verwijzing naar de overgelegde bijbehorende AWB en factuur. 3.77. Partijen zijn het erover eens dat Florimex B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures, en de rechtbank volgt hen daarin. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij voor deze partij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode. 3.78. De luchtvaartmaatschappijen voeren ten aanzien van Baardse B.V. echter aan dat direct bronbewijs ontbreekt en dat het overgelegde Excel-bestand onvoldoende is, omdat dit geen MAWB-nummers, relevant gewicht of aanduiding van de route bevat, waardoor verificatie van deze gegevens bij gebrek aan onderliggende documentatie praktisch niet uitvoerbaar is. 3.79. De rechtbank is met de luchtvaartmaatschappijen van oordeel dat Baardse B.V. moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding gebracht (waaronder het Excel-bestand met overzicht van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten ontleend aan de grootboekrekeningen van Baardse B.V. over de relevante periode), maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(
- en)– of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst – die is (zijn) afgenomen door Baardse B.V. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en het overzicht van uitgaven (productie SCCA-SCCA-0459) moet toch ergens op zijn gebaseerd. Dat SCC uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen, onder meer door het horen van medewerkers van het de Florimex Groep die de betreffende data en informatie aan SCC hebben verstrekt en medewerkers van de betreffende freight forwarders, is – zoals hiervoor onder het toetsingskader ook in algemene zin is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende. Puratos N.V. (achterliggende partij 25.01) 3.80. SCC heeft de volgende documenten overgelegd: - cessiedocumentatie (productie SCCA-0461); - een Excel-overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0462); - een Excel-bestand met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die Puratos N.V. in de relevante periode via verschillende freight forwarders zou hebben afgenomen (productie SCCA-0463); - een getuigenverklaring van [naam 31] , werkzaam bij Puratos N.V. (productie SCCA-0464); - vijf pdf-bestanden (productie SCCA-0465); - een aantal facturen van freight forwarders (productie SCCA-0466). 3.81. Partijen zijn het erover eens dat Puratos N.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures, en de rechtbank volgt hen daarin. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij voor deze partij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode. Belden Wire & Cable B.V. (achterliggende partij 26.01) 3.82. SCC heeft de volgende documenten overgelegd: - een e-mail van [naam 32] , werkzaam bij Belden Wire & Cable B.V. (hierna: Belden) (productie SCCA-0467); - een getuigenverklaring van [naam 33] , eveneens werkzaam bij Belden (productie SCCA-0468); - cessiedocumentatie (productie SCCA-0469); - een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0470); - een Excel-bestand met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die Belden in de relevante periode via verschillende freight forwarders zou hebben afgenomen (productie SCCA-0471); - een aantal facturen (productie SCCA-0472); - een aantal MAWB’s (producties SCCA-0473 t/m 0477). 3.83. Partijen zijn het erover eens dat Belden Wire & Cable B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures en de rechtbank volgt hen daarin. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij voor deze partij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode. Flowex B.V. (achterliggende partij 27.01) 3.84. SCC heeft de volgende documenten overgelegd: - cessiedocumentatie (productie SCCA-0478); - een Excel-bestand met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die Flowex B.V. tijdens de relevante periode zou hebben afgenomen (productie SCCA-0479); - een Excel-bestand met een overzicht van transacties (productie SCCA-0480); - een Excel-bestanden met overzichten per jaar van luchtvrachtvervoersdiensten die Flowex B.V. tijdens de relevante periode via verschillende freight forwarders zou hebben afgenomen (productie SCCA-0481); - een AWB (productie SCCA-0482). 3.85. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot 1.565 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit het overzicht van de betreffende vluchten en transacties (productie SCCA-0479) blijkt dat Flowex B.V. 1.119 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen tijdens de kartelperiode en de periode van nawerking. Het als productie SCCA-0480 overgelegde bestand betreft een overzicht van diensten die via verschillende freight forwarders zijn afgenomen. Op tien na bevat dat overzicht de code van de luchtvaartmaatschappij, het MAWB-nummer, de gevlogen route, de bookdate, het chargeable weight en de naam van de freight forwarder. Op de overgelegde AWB wordt onder het kopje ‘Accounting Information’ Flowex B.V. als partij genoemd die op de hoogte moet worden gesteld. Daaruit blijkt dat de luchtvrachtvervoersdienst door een freight forwarder als consignee is afgenomen voor Flowex B.V. Op de AWB is ook vermeld dat de vracht onder meer ‘gypsophila’ en ‘carnations’ bevat. Dit zijn bloemen en Flowex B.V. importeert bloemen, onder meer vanuit Ecuador, op welk land ook de AWB ziet. Bovendien is de transactie opgenomen in de overgelegde Excel-bestanden, aldus steeds SCC. 3.86. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat uit de AWB blijkt dat de transactie is afgenomen en betaald door Agritab Piganflor en niet door Flowex B.V. Bovendien staat Flowex B.V. noch als verzender (shipper) noch als ontvanger (consignee) vermeld maar slechts als ‘notify’ partij. Hieruit volgt niet dat Flowex B.V. de luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen en/of betaald. Voorts zijn de Excel-bestanden onvoldoende en blijkt daaruit tegenstrijdige informatie. Flowex B.V. wordt in het ene bestand als verzender aangeduid en in het andere als ontvanger, terwijl voor beide Excel-bestanden precies dezelfde transacties worden overgelegd en dezelfde kosten worden opgevoerd. Derhalve kan niet van de betrouwbaarheid van deze bestanden worden uitgegaan. Ook het enkele voorkomen van een AWB-nummer in Excel-bestanden en het bezit van een AWB maakt nog niet dat Flowex B.V. de afnemer van een luchtvrachtvervoersdienst is geweest. 3.87. De rechtbank is van oordeel dat Flowex B.V. moet afvallen, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en), op de hiervoor besproken luchtvrachtvervoersdienst na die onderwerp is van de enkele overgelegde AWB. Met betrekking tot die luchtvrachtvervoersdienst heeft zij echter, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door de luchtvaartmaatschappijen, onvoldoende onderbouwd dat Flowex B.V. ook daadwerkelijk afnemer is geweest van de luchtvrachtvervoersdienst in kwestie. De stelling van de luchtvaartmaatschappijen dat niet Flowex, maar Agritab Piganflor voor deze luchtvrachtvervoersdienst heeft betaald, is niet (voldoende onderbouwd) weersproken, en SCC heeft niet duidelijk gemaakt op grond waarvan Flowex B.V. dan niettemin zou moeten worden aangemerkt als afnemer van deze luchtvrachtvervoersdienst. Het enkele feit dat zij als “notify” partij is vermeld in de AWB is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Alessi S.p.A. (achterliggende partij 28.01) 3.88. SCC heeft de volgende documenten overgelegd: - cessiedocumentatie (productie SCCA-0483); - een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0484); - een overzicht van betalingen door Alessi S.p.A. per freight forwarder (productie SCCA-0485); - sets facturen van freight forwarders (producties SCCA-0486 t/m SCCA-0490); - 9 pdf-bestanden (producties SCCA-0491 t/m SCCA-0499). 3.89. Partijen zijn het erover eens dat Alessi S.p.A. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode. Max Mara groep (achterliggende partijen 29.01 tot en met 29.05) 3.90. SCC heeft de volgende documenten overgelegd: - cessied