RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 10118053 EA VERZ 22-572 beschikking van: 30 januari 2023 func.: 515 beschikking van de kantonrechter I n z a k e de besloten vennootschap FINANCIERINGSMAATSCHAPPIJ ENKHUIZEN B.V., gevestigd te Haarlem, verzoekster, tevens voorwaardelijk verweerster, nader te noemen: Enkhuizen, gemachtigde: mr. J. Verstoep, t e g e n de naamloze vennootschap INBEV NEDERLAND N.V., gevestigd te Breda, verweerster, tevens voorwaardelijk verzoekster, nader te noemen: Inbev, gemachtigde: mr. E.P.W. Korevaar. VERLOOP VAN DE PROCEDURE Enkhuizen heeft op 23 september 2022 een verzoek op de voet van artikel 7:304 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) ingediend. Inbev heeft op 20 december 2022 een verweerschrift, tevens voorwaardelijk zelfstandig tegenverzoek ingediend. Het verzoek is ter zitting van 22 december 2022 behandeld. Enkhuizen is verschenen bij [naam] , vergezeld van de gemachtigde. Namens Inbev is de gemachtigde verschenen. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft Enkhuizen nog een aanvullend verzoekschrift ingediend, vergezeld van producties. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van overgelegde aantekeningen en vragen van de kantonrechter beantwoord. Inbev heeft zich bij schriftelijke akte, ingekomen op 9 januari 2023, nog uitgelaten over het aanvullend verzoek van Enkhuizen. Hierna is een datum voor beschikking bepaald. GRONDEN VAN DE BESLISSING Het verzoek van Enkhuizen 1. Enkhuizen verzoekt de kantonrechter op de voet van artikel 7:304 lid 2 BW primair om de deskundige K. Dijkstra van KroesePaternotte te benoemen die adviseert omtrent de huurprijs van de bedrijfsruimte, subsidiair om Dijkstra en twee andere deskundigen te benoemen, althans drie deskundigen. In aanvulling op het verzoekschrift, verzoekt Enkhuizen goedkeuring van hert afwijkende beding in artikel 9.2 van de Algemene Bepalingen. 2. Enkhuizen stelt hiertoe ter toelichting – kort weergegeven - dat zij sinds 1 januari 2008 aan Inbev de panden, aan de [pand 1] , [pand 2] , [pand 3] en [pand 4] en de [pand 5] , [pand 6] , [pand 7] en [pand 8] te [plaats] , bestaande uit bedrijfsruimte en woonruimte verhuurt. Het gehuurde wordt bijna geheel door Inbev onderverhuurd. De huurovereenkomst is aangegaan voor een periode van 15 jaar, derhalve tot 1 januari 2023, na welke datum de huurovereenkomst kan worden voortgezet met een periode van vijf jaar, na afloop van welke tijd de huurovereenkomst wordt voortgezet voor onbepaalde tijd. Op de huurovereenkomst zijn van toepassing de Algemene Bepalingen huurovereenkomst winkelruimte van de ROZ van 11 juli 2003. De laatst geldende huurprijs bedraagt € 247.175,16 exclusief btw per jaar en is sinds 2008 behoudens jaarlijkse huurprijsindexering niet aangepast. Enkhuizen is medio 2021 in overleg getreden met Inbev over aanpassing van de huurprijs. Dit overleg heeft niet tot overeenstemming geleid. Indien partijen geen overeenstemming bereiken over de nieuwe huurprijs, wordt de nieuwe huurprijs vastgesteld door drie deskundigen conform artikel 9.2 van de Algemene Bepalingen. Er kon met Inbev evenmin overeenstemming worden bereikt over de gezamenlijke benoeming van de deskundigen, aldus Enkhuizen. Verweer en (voorwaardelijk) tegenverzoek Inbev 3. Inbev voert allereerst aan dat Enkhuizen te vroeg is met het indienen van het verzoek, zodat het verzoek niet ontvankelijk is. Een voortijdige benoeming van een deskundige zou leiden tot een verschil tussen de referentieperiode en de ingangsdatum van de nieuwe huurprijs. Ook acht Inbev het verzoek niet ontvankelijk omdat het petitum niet vermeldt wat het te onderzoeken object betreft. Verder heeft Enkhuizen haar verzoek onderbouwd met een beroep op artikel 9.2 van de Algemene Bepalingen, maar Inbev vernietigt dit beding, nu dit in strijd is met artikel 7:303 BW. Het beding bepaalt een latere datum als ingangsdatum van een eventuele nadere huurprijs, te weten zes maanden na een aangetekend verzoek, hetgeen ten nadele van Inbev afwijkt van het wettelijk systeem. Daarnaast leidt het beding tot hogere kosten. Verder betwist Inbev dat sprake is geweest van serieuze onderhandelingen. Ook voert Inbev aan dat Dijkstra geen geschikte deskundige is. Inbev verzoekt in haar voorwaardelijk tegenverzoek om een deskundige met horeca-expertise te benoemen die adviseert over de nadere huurprijs per 1 januari 2023 van de horecabedrijfsruimte die [naam restaurant] in gebruik heeft aan de [pand 9] , [pand 1] , [pand 2] , [pand 3] en [pand 4] alsmede [pand 5] , [pand 6] , [pand 7] en [pand 8] en daarbij een onderscheid te maken tussen de huurprijs van de begane grond en kelder en de eventuele huurprijs van de overige door [naam restaurant] gebruikte bedrijfsruimten gelegen op de eerste, tweede en derde etage van [pand 8] en de kleedruimte (boven de keuken) op de eerste etage van de [pand 2] . Beoordeling Tijdigheid verzoek 4. Het verweer van Inbev inzake het tijdstip van indiening van het verzoek wordt gepasseerd. De ingangsdatum van de nieuwe huurprijs is in beginsel de datum waarop de vordering is ingesteld (artikel 7:303 lid 4 BW). De vordering tot nadere huurprijsvaststelling is slechts ontvankelijk indien deze vergezeld gaat van een advies omtrent de nadere huurprijs, opgesteld door een of meer door partijen gezamenlijk benoemde deskundigen (artikel 7:304 lid 1 BW). Indien partijen geen overeenstemming bereiken over de benoeming van een deskundige, benoemt de rechter deze op verzoek van de meest gerede partij (artikel 7:304 lid 2 BW). In dat geval geldt de dag van dat verzoek voor de toepassing van onder meer artikel 7:303 lid 4 BW als de dag waarop de vordering tot nadere vaststelling van de huurprijs is ingesteld en dus als ingangsdatum van de nieuwe huurprijs. De rechter die de huurprijs nader vaststelt kan op grond van artikel 7:303 lid 4 BW op vordering van een der partijen op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval een andere ingangsdatum van de huurprijs vaststellen. De vordering tot vaststelling van een nieuwe huurprijs kan worden ingesteld voordat die nieuwe prijs kan ingaan. Partijen verschillen niet van mening over het gegeven dat de datum van indiening van het onderhavige verzoekschrift die ingangsdatum van de nieuwe huurprijs niet kan zijn en dat deze 1 januari 2023 is, zodat valt niet in te zien dat een eerdere indiening zo kort voor die datum zou moeten leiden tot niet ontvankelijkheid van het onderhavige verzoek. De deskundige kan ook bij het onderzoek de vijf jaar voorafgaand aan 1 januari 2023 in zijn onderzoek betrekken. Algemene bepalingen 5. In de Algemene Bepalingen is ten aanzien van de huurprijswijziging het navolgende beding opgenomen: 9.2. Indien een partij gebruik wil maken van zijn wettelijke bevoegdheid om, afgezien van de overeengekomen huurprijsaanpassing als bedoeld in 9.1, nadere vaststelling van de huurprijs te verlangen, stelt hij de andere partij daarvan bij aangetekend schrijven met bericht van ontvangst in kennis uiterlijk zes maanden voor de datum waarop de herziene huurprijs zal moeten ingaan. Wanneer partijen binnen acht weken na verzending van de kennisgeving niet tot overeenstemming zijn gekomen over de nieuwe huurprijs, wordt die huurprijs vastgesteld door drie deskundigen. Elk der partijen benoemt een deskundige. De beide deskundigen tezamen benoemen een derde deskundige. Bij de nadere vaststelling van de huurprijs hanteren de drie deskundigen dezelfde criteria als die de rechter daarbij moet hanteren. Het oordeel van de derde deskundige is beslissend als er tussen de deskundigen geen overeenstemming wordt bereikt over de vast te stellen huurprijs. De deskundigen brengen hun rapport uit binnen zes weken nadat zij hun benoeming hebben aanvaard. Een partij betaalt de kosten van een door hem benoemde deskundige. De kosten van de derde deskundige worden door ieder der partijen voor de helft gedragen. De uitkomst van het deskundigenadvies is bindend, met dien verstande dat het zowel huurder als verhuurder niet kan weerhouden om vervolgens nadere vaststelling van de huurprijs door de kantonrechter te vorderen. Een dergelijke vordering kan uitsluitend vergezeld gaan van het hierboven weergegeven deskundigenadvies, welk advies wordt geacht te zijn opgesteld door ter zake deskundigen die door partijen gezamenlijk zijn benoemd. Partijen worden geacht over de benoeming van een deskundige geen overeenstemming te hebben bereikt, indien een partij van de wederpartij binnen drie weken na dagtekening van het verzoek om tot nadere huurprijsvaststelling over te gaan, geen opgave heeft ontvangen van een door de wederpartij aangewezen deskundige die de benoeming heeft aanvaard. Ook worden partijen geacht over de benoeming van een deskundige geen overeenstemming te hebben bereikt als er binnen zes weken na dagtekening van het verzoek tot nadere huurprijsvaststelling geen aan een ieder van hen bekend gemaakte derde deskundige is benoemd. Bij het ontbreken van overeenstemming tussen partijen over de benoeming van een deskundige kan de meest gerede partij de benoeming van (een) deskundige(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.