RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/014886-23 RK nummer: 23/203 Datum uitspraak: 30 maart 2023 UITSPRAAK op de vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 2 januari 2023 door het Amtsgericht Trier, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit), en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboortedag] (Vietnam) op [geboorteplaats] 1968, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres], gedetineerd in de [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 maart
- Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diependaal, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. E.B. Jobse, advocaat in Rotterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel ten behoeve van de voorlopige hechtenis, uitgevaardigd door het Amtsgericht Trier op 30 september 2022 (referentie: 35b Gs 3549/22). De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 3.1 Genoegzaamheid De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de feitsomschrijving in het EAB niet genoegzaam is en dat de overlevering daarom moet worden geweigerd. In het EAB is niet de naam van de opgeëiste persoon vermeld en is slechts vermeld dat het gaat om een Aziatische staatsburger, maar waarop de verdenking jegens de opgeëiste persoon verder is gebaseerd, blijft onduidelijk. Subsidiair verzoekt de raadsman de zaak aan te houden, om op dit punt nadere informatie bij de uitvaardigende justitiële autoriteit op te vragen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. Het EAB voldoet aan de eisen van genoegzaamheid; de specialiteit is gewaarborgd. De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. In deze zaak is het volgende van belang. In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon wordt verdacht van het in vereniging exploiteren van hennepkwekerijen in Wilsecker, in de periode van 20 juli 2020 tot en met 10 december
- Bovendien zijn de personalia van de opgeëiste persoon in de kop van het EAB genoemd, waarna hij in de feitsomschrijving als ‘verdachte’ wordt aangeduid. Ten aanzien van de aard van zijn betrokkenheid is in het EAB vermeld dat sprake is van medeplichtigheid. Het is daarmee duidelijk waarvoor de overlevering wordt verzocht. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat het EAB geen informatie hoeft te bevatten over de gronden waarop de verdenking is gebaseerd. Dat is een Duitse aangelegenheid. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer en ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden om nadere informatie te vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. 4Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan. De Staatsanwältin Trier (Duitsland) heeft op 8 februari 2023 de volgende garantie ten behoeve van de opgeëiste persoon gegeven: With reference to your inquiry of 06.02.2023 I hereby assure you that in the event of a conviction of the defendant to an unconditional and irrevocable prison sentence in Germany, he will be allowed to carry out this punishment in the Netherlands. Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6Artikel 11 OLW: Duitse detentieomstandigheden De raadsman stelt zich op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd wegens een reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in Duitse detentiecentra. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat van slechte detentieomstandigheden in Duitsland geen sprake is. Artikel 11 OLW staat niet aan overlevering in de weg staat. De rechtbank overweegt als volgt. Het standpunt van de raadsman is op geen enkele manier onderbouwd met stukken met betrekking tot de situatie in Duitse detentiecentra. De rechtbank beschikt ook niet ambtshalve over objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens waaruit volgt dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Duitsland zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. De rechtbank verwerpt het verweer. 7Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 8Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW. 9Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Trier (Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.M. James Pater, voorzitter, mrs. A.J. Scheijde en A. Pahladsingh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Rus, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 maart
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB.